In voorjaar 2017 waarschijnlijk meer duidelijkheid fiscale regeling specifieke zorgkosten

In het voorjaar van 21017 komt staatssecretaris Wiebes met de uitkomsten van een verkenning naar een alternatieve regeling voor financiële ondersteuning van chronisch zieken en gehandicapten.

Dat schrijft Wiebes aan de Eerste Kamer naar aanleiding van het onderzoek over de uitgaven voor specifieke zorgkosten.

De fiscale regeling van aftrek van uitgaven voor specifieke zorgkosten is ongericht en er worden mensen voor zorgkosten gecompenseerd voor wie de regeling niet is bedoeld. Dit ondanks de complexe vormgeving met drempels, vermenigvuldigingsfactoren en een niet-fiscale verzilveringsregeling.

Veel correcties in aangiftes

Op basis van steekproeven op de particuliere aangiftes blijkt dat ongeveer 30% van de geclaimde aftrek gecorrigeerd moet worden. Ook blijkt uit de toepassing van nieuwe opsporingsmethoden en slimmere data-analyse dat bepaalde belastingplichtigen met hulp van adviseurs bewust over de grenzen van de regeling gaan.  Redenen waarom de staatssecretarissen van Financiën en VWS een verkenning te starten naar mogelijkheden die gerichter, eenvoudiger, minder fraudegevoelig en handhaafbaar zijn.

Lastig en complex

Wiebes geeft aan dat het lastig en complex is om een adequate, gerichte regeling te ontwerpen voor financiële ondersteuning van chronisch zieken en gehandicapten. Hij en zijn collega-staatssecretaris Martin van Rijn gaan proberen tot een alternatieve regeling te komen. De voorkeur gaat daarbij uit naar een regeling die gebruikmaakt van gegevens afkomstig van een ander dan de belastingplichtige zelf.

De verkenning is inmiddels gestart en Wiebes en van Rijn streven ernaar deze in het voorjaar van 2017 af te ronden.

Ook bij < 10% belast gebruik is btw aftrekbaar

Op grond van de Btw-richtlijn mag een ondernemer in beginsel de btw aftrekken op afgenomen goederen en diensten voor zover deze worden gebruikt voor btw-belaste prestaties. Deze bepaling biedt geen ruimte voor een regeling die de btw-aftrek volledig weigert als de ondernemer het aangeschafte goed voor minder dan 10% gebruikt voor btw-belaste prestaties.

Aftrekbare btw

In beginsel mogen ondernemers btw aftrekken als voorbelasting in hun aangifte omzetbelasting als deze btw gedurende het aangiftetijdvak:

  • is gefactureerd door andere ondernemers vanwege de prestaties die aan de ondernemer zijn verricht. De facturen moeten aan bepaalde eisen voldoen;
  • door de ondernemer verschuldigd is geworden omdat hij een intracommunautaire verwerving heeft verricht. Hierbij geldt als aanvullende voorwaarde voor het recht op aftrek dat de ondernemer moet beschikken over een correcte factuur; of
  • verschuldigd is geworden als gevolg van invoer van goederen, verlegging, het verrichten van prestaties binnen het eigen bedrijf die zijn aangewezen als btw-belaste diensten om concurrentieverstoring te voorkomen of vanwege de levering van een nieuw vervoermiddel door een particulier of wederverkoper.

 

Het recht op aftrek van voorbelasting is gekoppeld aan het gebruik voor btw-belaste prestaties. Bij bepaalde vormen van gebruik van de afgenomen prestaties in het buitenland kan ook recht op aftrek van voorbelasting bestaan. Bijvoorbeeld als de ondernemer volgens de nationale wet recht op aftrek van voorbelasting zou hebben gehad als het gebruik in Nederland had plaatsgevonden.

 

Uitzonderingen op recht op aftrek

In bepaalde gevallen is het recht op aftrek van voorbelasting uitgesloten. Als iemand ten behoeve van de onderneming een korte tijd verblijft in een horecabedrijf, is de btw in de kosten van eten en drinken niet aftrekbaar. Daarnaast kent het Besluit Uitsluiting aftrek omzetbelasting (BUA) nog enkele situaties waarin de aftrek van btw als voorbelasting is beperkt of zelfs geheel is uitgesloten. Daarbij valt te denken aan de btw op standsuitgaven of op loon in natura met uitzondering van de auto voor de zaak (de auto van de zaak valt onder een aparte regeling).

 

Uitsluitend gebruik voor (andere dan) belaste prestaties

De situatie is eenvoudig als de ondernemer prestaties afneemt die hij uitsluitend gebruikt voor btw-belaste prestaties. In beginsel kan hij dan gewoon alle btw aftrekken. Gebruikt de ondernemer de afgenomen prestaties uitsluitend ten behoeve van activiteiten die zijn vrijgesteld van btw, dan is de zaak eveneens simpel. Hij heeft dan geen recht op aftrek van voorbelasting.

 

Gemengd gebruik niet-investeringsgoederen en diensten

Als de ondernemer een afgenomen goed of dienst zowel voor btw-belaste prestaties als voor andere doeleinden (btw-vrijgestelde prestaties of privédoeleinden) gebruikt, mag hij een deel van de voorbelasting aftrekken. Voor diensten en goederen waarop doorgaans niet wordt afgeschreven – de zogeheten niet-investeringsgoederen – geldt dat men het recht op aftrek in eerste instantie moet bepalen op het moment van inkoop. Als de ondernemer het goed nog niet in gebruik heeft genomen, zal hij een schatting moeten maken. Wanneer hij daadwerkelijk het niet-investeringsgoed gaat gebruiken, moet hij de verhouding in het geschatte gebruik vergelijken met de verhouding in het werkelijke gebruik. Als de werkelijke verhouding afwijkt van de geschatte verhouding, moet een btw-correctie plaatsvinden. In beginsel baseert de ondernemer de verdeling op basis van omzetverhoudingen tenzij het werkelijk gebruik een betere verdeelsleutel vormt.

 

Gemengd gebruik investeringsgoederen

Voor investeringsgoederen gelden grotendeels dezelfde regels voor de berekening van de aftrek van voorbelasting voor de btw-aftrek als voor niet-investeringsgoederen. Een verschil is dat de ondernemer bij investeringsgoederen voor ieder goed afzonderlijk bepaalt of hij de btw splitst op basis van het werkelijk gebruik of op basis van de omzetverhoudingen. Bovendien moet de ondernemer gedurende de herzieningstermijn van vijf jaar (tien jaar bij onroerende investeringsgoederen) ieder jaar nagaan of de verhouding in het werkelijke gebruik met meer dan 10% afwijkt van de oorspronkelijke verhouding waarvan hij was uitgegaan. Overigens geldt deze 10%-marge in beginsel niet in het eerste jaar. Is sprake van een te grote afwijking, dan moet de ondernemer over 20% (10% als het gaat om onroerende zaken) een btw-correctie toepassen.

 

Nihilaftrek bij belast gebruik <10%

Voor het Hof van Justitie van de EU is de vraag gekomen of de fiscus het recht op aftrek van voorbelasting geheel mag weigeren als een afgenomen goed of dienst voor minder dan 10% voor economische activiteiten wordt gebruikt. Het district Potsdam-Mittelmark had namelijk enkele aangeschafte goederen voor 2,65% gebruikt voor btw-belaste prestaties. De belastingdienst van Brandenburg stond echter geen enkele aftrek toe nu het gebruik voor belaste prestaties minder dan 10% was. Maar deze beperking was niet toegestaan onder de Zesde Richtlijn. Ook de huidige richtlijn stelt dat een ondernemer recht heeft op aftrek van voorbelasting voor zover hij deze gebruikt voor belaste prestaties.

RVO: WBSO aanvragen voor 2017 mogelijk vanaf 31 oktober

Vanaf maandag 31 oktober kan er een WBSO-aanvraag ingediend worden voor 2017. Zelfstandig ondernemers kunnen op 1 januari 2017 nog een aanvraag indienen voor hun eigen S&O-uren. Dat meldt RVO.

De WBSO is een innovatieregeling van het ministerie van Economische Zaken. Het geeft innovatieve ondernemers een duwtje in de rug bij het uitvoeren van R&D-projecten. Via de regeling ontvangen zij een fiscaal voordeel.

Zelfstandig ondernemers

Ondernemers die vanaf 1 januari 2017 voor hun werknemers gebruik willen maken van de WBSO, kunnen tot en met 30 november 2016 een aanvraag indienen. Zelfstandig ondernemers kunnen zelfs op 1 januari 2017 nog een aanvraag indienen voor hun eigen S&O-uren. De aanvraag loopt vanaf de datum waarop de aanvraag wordt ingediend (op z’n vroegst 1 januari 2017) tot en met 31 december 2017.

Nota n.a.v. verslag wetsvoorstel fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing

Staatssecretaris Wiebes van Financiën heeft de nota naar aanleiding van het verslag inzake het wetsvoorstel fiscale maatregelen rijksmonumenten en scholing naar de Tweede Kamer gestuurd.

Het kabinet heeft het voornemen om de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden en de aftrek van scholingsuitgaven af te schaffen. Beide aftrekposten worden vervangen door niet-fiscale uitgavenregelingen met een beperkter budget. Het kabinet heeft niet gekozen voor aanpassingen binnen de bestaande regelingen. Dit omdat de geconstateerde onvolkomenheden van die regelingen dan niet worden weggenomen. Ook wordt dan een belangrijke vereenvoudiging van de inkomstenbelasting niet gerealiseerd.

Inwerkingtreding

De subsidieregeling die vanaf 2017 in de plaats komt van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden is een regeling voor sober en doelmatig onderhoud van woonhuismonumenten. Daarnaast komt er een overgangsregeling voor 2017 en 2018. Doel hiervan is dat (project)eigenaren die voor 1 januari 2017 onomkeerbare financiële verplichtingen zijn aangegaan op basis van gerechtvaardigde verwachtingen over de fiscale aftrek, niet gedupeerd zullen worden door afschaffing van de aftrek van uitgaven voor monumentenpanden. Zij ontvangen een subsidie vergelijkbaar met de verwachte fiscale teruggave.

Om de vervangende regeling voor de fiscale regeling voor scholingsuitgaven zorgvuldig in te voeren, heeft het kabinet gekozen voor afschaffen van de aftrek van scholingsuitgaven per 2018. Een tweede reden voor het uitstel tot 2018 is dat deze maatregel dan volledig kan meelopen in de (geautomatiseerde) voorlopige aanslag.

Belastingdienst opent Meldpunt DBA

De Belastingdienst meldt dat het eerder door staatssecretaris Wiebes aangekondigde Meldpunt DBA inmiddels is geopend.

Onlangs kondigde de staatssecretaris een aantal extra acties aan om volgens eigen zeggen de nog resterende onzekerheid over de Wet DBA weg te nemen. Een van de aanvullende acties was het instellen van een meldpunt.

In de praktijk lijkt de Wet DBA onbedoelde gevolgen te hebben voor de arbeidsmarkt. Dat is bijvoorbeeld het geval als opdrachtgevers hun flexibele schil niet meer kunnen inrichten. Of als zzp’ers minder opdrachten krijgen of als zij van hun opdrachtgevers via payroll moeten werken. Hebt u hier als opdrachtgever, zzp’er of intermediair mee te maken? Dan kunt u dat melden via het Meldpunt DBA.

Op basis van de meldingen gaan het ministerie van Financiën en het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de knelpunten inventariseren. Het is de bedoeling dat deze knelpunten gezamenlijk met branche- en belangenorganisaties worden opgepakt. Let op: de melders krijgen geen persoonlijke reactie: het meldpunt bij de Belastingdienst is louter bedoeld voor de inventarisatie van knelpunten.

Minister schetst alternatieven voor fiscale aftrek monumentenuitgaven

Binnen de monumentenzorg bestaan momenteel verschillende subsidiemogelijkheden zoals de Subsidieregeling instandhouding monumenten (Sim) en restauratiesubsidies via de provincies bedoeld voor de niet-woonhuismonumenten zoals kerken, molens, watertorens, kastelen en vestingwerken. Tevens is er de mogelijkheid van fiscale aftrek van uitgaven voor monumentenpanden, vooral voor woonhuizen. Vanaf 2019 zal er één subsidieregeling voor “sober en doelmatig onderhoud” zijn voor alle rijksmonumenten met de volgende voorwaarden:

  • Een eigenaar komt in aanmerking voor een subsidie van 25% van de onderhoudskosten.
  • Eigenaren van woonhuizen krijgen over dezelfde werkzaamheden subsidie als die van niet-woonhuizen.
  • De maximale subsidiabele kosten bedragen 10.000 euro per jaar.
  • Er geldt een drempel van 2.000 euro per jaar.

Voor de circa 400 eigenaren van rijksmonumenten die al plannen hebben uitgewerkt en verplichtingen zijn aangegaan op basis van de verwachting dat er ook in 2017 (en 2018) nog fiscale aftrek zou zijn, geldt een overgangsregeling.

Minister schetst alternatieven voor fiscale aftrek scholingsuitgaven

Scholingsvouchers zijn vanaf 1 januari 2018 het alternatief voor de in het Belastingplan 2017 aangekondigde afschaffing van de fiscale aftrek van scholingsuitgaven. Vanaf 2019 komt er tevens één subsidieregeling voor alle rijksmonumenten. De regeling voor aftrek van monumentenuitgaven vervalt echter al op 1 januari 2017! Dit blijkt uit een brief aan de Tweede Kamer waarin minister Jet Bussemaker de contouren schetst van de alternatieven voor de onlangs aangekondigde afschaffing van de fiscale aftrek van scholings- en monumentenuitgaven.

Uit onderzoek van het CPB blijkt dat hoogopgeleiden, werknemers en ambtenaren relatief vaker gebruikmaken van de aftrek van scholingsuitgaven ten opzichte van andere groepen. Ook blijkt dat voor 73 tot 100 procent van de gevallen geldt dat de begunstigden deze scholing ook hadden gevolgd zonder subsidie. Het kabinet wil daarom de huidige fiscale aftrek van scholingsuitgaven per 1 januari 2018 omvormen tot een gerichte uitgavenregeling in de vorm van scholingsvouchers.

WOZ-waarden openbaar, maar nog lang niet voor iedereen

Sinds 1 oktober 2016 is de WOZ-waarde van woningen een openbaar gegeven. Iedereen kan in principe de WOZ-waarde kosteloos opvragen bij één centraal punt, het online WOZ-waardeloket. Vooralsnog is (helaas) slechts 25 procent van de gemeenten aangesloten op het WOZ-waardeloket, zo meldt Vereniging Eigen Huis (VEH).

Voorheen konden burgers alleen een taxatieverslag opvragen bij de gemeente waarin de WOZ-waarde stond van vergelijkbare huizen om de waarde te bepalen. Aan de hand van openbare WOZ-waarden kunnen burgers, maar ook belastingadviseurs, de WOZ-waarde van elke woning in Nederland opvragen. Daardoor bent u als belastingadviseur beter in staat om te beoordelen of de WOZ-waarde van de woning van uw klant correct is.

Efficiencyvoordelen voor gemeenten

Ook voor gemeenten biedt het WOZ-waardeloket efficiencyvoordelen. Gemeenten hoeven niet meer periodiek gegevens te leveren aan de huidige afnemers zoals de Waterschappen, het Centraal Bureau voor de Statistiek of de Belastingdienst voor bijvoorbeeld de vooringevulde belastingaangifte.