Kind helpen met kopen huis? Schenken vaak niet meest voordelige optie!

Uw zoon of dochter komt met een blije blik thuis. Samen met de partner willen ze een huis kopen. Helaas kunnen ze nog geen volledige hypotheek krijgen. Hoe kunt u helpen èn ervoor zorgen dat de familiebanden goed blijven?

We kunnen toch € 100.000 schenken voor een eigen woning?
Schenken is vaak niet de meest voordelige optie. Bovendien kan het voor familieconflicten zorgen als één kind een grote schenking krijgt en de rest nog niets. Als u toch besluit te schenken is wel van belang of u al eerder van de éénmalige verhoogde schenkingsvrijstelling gebruik hebt gemaakt. Gelukkig is er daarvoor overgangsrecht. Als u al eerder een grote schenking heeft gedaan, dan kunt in de meeste gevallen alsnog een bedrag van € 46.824 schenken. Dit moet dan wel voor de eigen woning gebruikt worden. Wilt u precies weten hoeveel u nog belastingvrij kunt schenken, dan reken ik dat graag voor u uit.

Wat is dan beter dan schenken? Lenen!
Een goed alternatief voor schenken is het geld te lenen aan de kinderen. Het voordeel is dat u kinderen niet ongelijk gaat behandelen. De neiging van ouders is om dan een zeer lage rente te vragen. Het zijn immers de kinderen. Echter fiscaal is het veel voordeliger een hogere rente te vragen. Dan krijgen de kinderen namelijk een hogere renteaftrek eigenwoningschuld van de belastingdienst.

De juiste rente zorgt voor een optimaal voordeel
Door middel van een hoge rente en een jaarlijkse schenking kunt u het fiscale voordeel maximaliseren. U schenkt bijvoorbeeld één keer per jaar een deel van de rente weer terug.

U leent uw kind € 100.000 tegen 6% rente. Uw kind betaalt dus ongeveer 6.000 per jaar aan rente (plus wat aflossing). U mag jaarlijks € 5.320 belastingvrij schenken. U besluit ieder jaar in december € 5.320 te schenken met de Kerst.

Uw kind heeft een aftrekpost van € 6.000 rente, maar heeft per saldo slechts een rentelast van € 680 per jaar. Daarnaast levert de aftrekpost een teruggaaf van de Belastingdienst op van zo’n € 2.000 tot € 2.800 op (afhankelijk van het fiscale inkomen van het kind).

Met een lage rente heb ik bijna geen rendement meer
Dat klopt, maar u hoeft natuurlijk niet het maximum te schenken. Stel dat slechts € 4.000 per jaar terug schenkt. Dan houdt u nog steeds € 2.000 per jaar over. Een rendement van 2%. Nog altijd een stuk beter dan de meeste spaarrekeningen. Uw kind heeft een rentelast van € 2.000, maar dat wordt dankzij de hypotheekrenteaftrek van 6% volledig gecompenseerd.

Mag dat allemaal? 
Ja, de daadwerkelijke rente moet wel betaald worden. Ook moet er geen direct verband zijn tussen rente en schenking. Als u een dag na betaling de rente terug schenkt, dan zal de rente niet drukken op uw kind en is dus niet aftrekbaar.

Waar moet ik allemaal op letten?
Op een nieuwe eigen woninglening moet sinds 2013 worden afgelost. U moet in ieder geval een annuïtair aflossingsschema hanteren. De gegevens van de lening moeten in de aangifte inkomstenbelasting worden vermeld.

Heeft uw kind al een eigen woning schuld van voor 2013 die aflossingsvrij is, dan kan het kind dat bedrag bij u herfinancieren. Dan gelden de voorwaarden van de oude schuld en kan de lening aan uw kind dus ook aflossingsvrij blijven.

Hoe bepaal ik het juiste rentepercentage?
Het rentepercentage van de lening dient zakelijk te zijn. Als richtlijn gelden de gangbare hypotheekrentetarieven, waarbij door de Belastingdienst een marge van 25% wordt geaccepteerd. Stel, u komt met uw kind een looptijd en een rentevaste periode van 30 jaar overeen. Dan moet u gaan vergelijken met rentes die hypotheekaanbieders voor dit soort leningen hanteren. In sommige gevallen kunt u een hoger rentepercentage vragen, voornamelijk als het risico hoger is. Van een hoger risico is bijvoorbeeld sprake als:
•    de bank een 1e hypotheekrecht heeft;
•    u meer geld uitleent dan de waarde van de woning of
•    de totale woningschuld van het kind hoog is in verhouding tot het inkomen.

Mochten uw kinderen een eigen woning willen kopen, dan kunt u altijd contact opnemen om met mij eerst eens vrijblijvend te sparren.

Eigenwoningforfait volgend jaar omlaag naar 0,70 procent

Het eigenwoningforfait bedraagt in 2018 0,70 procent, meldt staatssecretaris Snel van Financiën aan de Tweede Kamer. Dat is een verlaging met 0,05 procent ten opzichte van het jaar 2017. De staatssecretaris maakt ook de hoogte van de tabelcorrectiefactor en de arbeidskorting voor volgend jaar bekend. De tabelcorrectiefactor bedraagt 1,008.

Arbeidskorting

Tot een inkomen van 9.468 euro per jaar geldt nu een arbeidskorting van 1,764 procent van het arbeidsinkomen, met een maximum van 167 euro. Bij een arbeidsinkomen vanaf 9.468 euro per jaar geldt een arbeidskorting van 167 euro, vermeerderd met 28,064 procent van het arbeidsinkomen boven die € 9468. Daarbij wordt een maximum van in totaal 3.249 euro gehanteerd. Dit maximum wordt bereikt bij een arbeidsinkomen van 20.450 euro. Boven een inkomen van 33.112 euro per jaar wordt de berekende arbeidskorting verminderd met 3,6 procent van het inkomen boven die grens. De arbeidskorting is volledig afgebouwd bij een arbeidsinkomen vanaf 123.362 euro.

‘Lage btw mag best verder omhoog’

Het lage btw-tarief in Nederland kan best nog verder omhoog, vindt de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO).

Volgens de denktank is het verhogen van de btw een relatief veilige manier om op andere vlakken weer extra investeringen en belastingverlagingen mogelijk te maken.

Nederland heeft nu btw-tarieven van 21 en 6 procent. Het kabinet wil het lage tarief, dat geldt voor onder andere etenswaren en kappersbeurten, verhogen naar 9 procent. Die plannen stuitten nu al op verzet bij oppositiepartijen, maar volgens de OESO zou het gat tussen het hoge en lage btw-tarief in aanvulling op de voorgestelde maatregel nog wel wat kleiner mogen worden.

Het gaat de belangrijke internationale organisatie er vooral om dat Nederland geld vrijmaakt om bijvoorbeeld de belasting voor lage inkomens en tweeverdieners met jonge kinderen verder terug te brengen. Dat zou de deelname van vrouwen aan de arbeidsmarkt extra kunnen aanjagen. Ook pleit de OESO voor meer overheidsinvesteringen in onderzoek en innovatie.

De economische vooruitzichten voor Nederland zien er voorlopig wel goed uit. De OESO rekent in Nederland nu op een groei van 3,3 procent dit jaar en 3,1 procent volgend jaar. Voor 2019 ligt de prognose op 2,4 procent.Deze voorspellingen zijn aanzienlijk positiever dan eerder dit jaar. De OESO heeft zijn ramingen, net als bijvoorbeeld het Internationaal Monetair Fonds (IMF), flink naar boven bijgesteld na het onverwacht krachtige economisch herstel dat ons land in het tweede kwartaal liet zien.

Wel een aandachtspunt vormt de steeds groter wordende groep zelfstandigen en mensen met tijdelijke contracten. Verder blijft de uitkomst van de brexitonderhandelingen een belangrijk risicopunt voor Nederland. De OESO wijst tevens op de hoge hypotheekschulden bij huishoudens. Net als het IMF en ook De Nederlandsche Bank (DNB) ziet de OESO het liefst dat Nederland meer perken stelt aan het bedrag dat maximaal geleend kan worden voor een huis.

Met de wereldeconomie in het algemeen gaat het volgens de OESO eveneens de goede kant op. De verwachte groei schommelt komende jaren rond de 3,6 en 3,7 procent. Door extra hervormingen en investeringen zou de groei in veel landen wel nog hoger kunnen uitkomen, aldus de denktank.

Hoe BTW terugvragen bij oninbare vorderingen vanaf 2018?

De Belastingdienst heeft op zijn site een uitleg geplaatst hoe vanaf 1 januari 2018 BTW teruggevraagd kan worden als een klant de factuur niet (volledig) heeft betaald.

Vorderingen die nog niet betaald zijn en waarvan de uiterste betaaldatum vóór 1 januari 2017 lag, worden op 1 januari 2018 als oninbaar aangemerkt. De BTW over deze oninbare vorderingen moet teruggevraagd worden in de eerste BTW-aangifte van 2018. Het bedrag dat terug gevraagd wordt, moet als negatieve omzet en negatieve BTW bij vraag 1a of vraag 1b van die aangifte worden ingevuld.

Uiterste betaaldatum ná 1 januari 2017

Ook bij oninbare vorderingen met een uiterste betaaldatum ná 1 januari 2017 waarover de BTW teruggevraagd wordt vanaf 1 januari 2018, moet het bedrag dat teruggevraagd wordt als negatieve omzet en negatieve BTW bij vraag 1a of vraag 1b van de BTW-aangifte worden ingevuld. Dit moet gedaan worden in de aangifte over het tijdvak waarin duidelijk is dat de klant niet meer zal betalen. Of uiterlijk 1 jaar na de uiterste betaaldatum.

Klant betaalt toch nog

Betaalt een klant later toch nog (een deel van) de factuur, dan moet in de eerstvolgende BTW-aangifte bij vraag 1a of 1b aan worden gegeven dat hierover BTW betaald moet worden.

Inkomsten schenk- en erfbelasting vallen € 450 miljoen lager uit

De inkomsten bij de schenk- en erfbelasting vallen op basis van de realisaties tot en met oktober dit jaar 450 miljoen euro lager uit dan eerder geraamd. Dit schrijft minister Hoekstra van Financiën in de Najaarsnota 2017 die aan de Tweede Kamer is gestuurd. 

De lagere inkomsten bij de schenk- en erfbelasting hangen onder meer samen met de vertraagde oplevering van de nieuwe kantoorautomatisering voor de schenk- en erfbelastingprocessen, zo schrijft Hoekstra. De aanslagen die nu niet kunnen worden opgelegd, worden het komende jaar alsnog afgehandeld. De belasting- en premieontvangsten vallen in totaal naar verwachting 51 miljoen euro hoger uit op basis van de gerealiseerde ontvangsten tot en met oktober.

Begrotingsoverschot en schuld

Het begrotingsoverschot in 2017 wordt geraamd op 0,4% van het bruto binnenlands product (bbp). De overheidsschuld komt in 2017 naar verwachting uit op 57,3% van het bbp. Hiermee is Nederland één van de vier Eurolanden met zowel een overschot én een schuld onder de EMU-norm van 60% bbp. Het gemiddelde van het overheidssaldo in de Eurozone wordt geraamd op -1,1% bbp en een gemiddelde overheidsschuld van 89,3% bbp.

Minder uitgegeven dan begroot

Op diverse begrotingen is er minder uitgegeven dan begroot. Er is met name sprake van onderuitputting bij de ministeries van Defensie, Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en Financiën.

Waarom vermogenden niet profiteren van de lagere box 3 heffing

De tarieven om het forfaitaire rendement voor het jaar 2018 te bepalen zijn bekend gemaakt. In het regeerakkoord van de nieuwe regeringspartijen is bepaald dat voor het fictieve rendement wordt gekeken naar de gemiddelde spaarrente tussen juli 2016 en juli 2017. Voor het jaar 2018 wordt uitgegaan van actuelere cijfers. Wat levert dat de spaarzame belastingplichtige op? Hierna behandel ik wanneer het aantrekkelijk is om vermogen naar box 2 over te hevelen.

Zeer vermogenden profiteren niet van de verlaging van de vermogensrendementsheffing in box 3

De fiscale druk voor mensen met een vermogen tot € 100.000 is gedaald van 0,861% in 2017 naar 0,605% in 2018. Een daling van bijna 30%. Ook de belastingdruk in de schijf tussen € 100.000 en € 1.000.000 is gedaald van 1,38% naar 1,298%. Een al minder grote daling, van ongeveer 6%. De belastingdruk voor belastingplichtigen met een vermogen groter dan € 1.000.000 blijft ongeveer gelijk. Het verlagen van de vermogensrendementsheffing heeft dus vooral effect voor belastingplichtigen met een vermogen tot € 100.000, daarboven wordt het effect van de verlaging al snel kleiner. Voor zeer vermogende particulieren is het effect van de verlaging van de rendementsheffing te verwaarlozen.

Uit de vergelijking met het jaar 2017 blijkt dat de tarieven voor zeer vermogenden in 2018 ongeveer gelijk zijn gebleven. Het blijft daarom aantrekkelijk om vermogen naar box 2 over te hevelen. Vooral als het gaat om beleggingen met lage rendementen, zoals deposito’s.

Overhevelen van vermogen van box 3 naar box 2 levert bij lage rendementen lagere belastingdruk op

Hierna laten we een overzicht zien van wat de fiscale druk in box 3 is in het jaar 2018. Vervolgens hebben we berekend tot welk rendement het aantrekkelijk is om vermogen naar box 2 over te hevelen, om inkomstenbelasting te besparen. In de berekeningen is de vergelijking gemaakt tussen de vrijgestelde beleggingsinstelling (VBI) (vrijgesteld van vennootschapsbelastingheffing) en het fonds voor gemene rekening (FGR) of BV, die vennootschapsbelastingplichtig zijn. De VBI wordt alleen op het niveau van de aandeelhouder in box 2 in de belastingheffing getrokken. Uiteindelijk is 25% inkomstenbelasting verschuldigd over het werkelijk behaalde rendement. Bij het FGR of de BV is op het niveau van het lichaam vennootschapsbelasting verschuldigd en vervolgens nog eens 25% inkomstenbelasting als het rendement na aftrek van de verschuldigde inkomstenbelasting naar privé wordt overgemaakt.

Fiscale partner aangifte laten doen kan tot besparing van inkomstenbelasting leiden

Voor fiscale partner kan vanaf het jaar 2017 het lonen om gezamenlijk aangifte inkomstenbelasting te doen. Daarbij het vermogen zoveel mogelijk te verdelen, om bij beiden gebruik te maken van de schijven met de lage belastingdruk. Dan worden de lage tariefschijven tweemaal gebruikt.

Als uw vermogen de € 100.000 overschrijdt (voor fiscale partners gezamenlijk hoger dan € 200.000), kan het al aantrekkelijk zijn om een deel van het vermogen over te brengen naar box 2. Zie ook de rekensom van een echtpaar met een vermogen van € 1.000.000:

Voorbeeld

Spaargeld echtpaar                        €1.000.000

Inbreng in bv                                     €  750.000

Bespaarde rendementsheffing 2018                                                        €11.229

Op het spaargeld wordt een rente van 1% genoten.

VPB 20% x €7.500 =                                                                                     € 1.500

Plus box 2: 25% over €6.000 (de winst na VPB) =                                 € 1.500

Totaal                                                                                                               € 3.000

Per saldo bespaard door de spaar-bv € 11.229 – €3.000 =                  €  8.229

Voor hogere vermogens, waar het toptarief 1,614% bedraagt, is de besparing van het overhevelen van box 3 vermogen naar box 2 nog groter.

Uiterlijk 31 december 2017 naar box 2 overbrengen

Omdat de peildatum voor de vermogensrendementsheffing 1 januari 2018 is, is het van belang om het vermogen uiterlijk op 31 december 2017 naar box 2 over te brengen. Dat kan op verschillende manieren: door oprichting van een besloten vennootschap, naamloze vennootschap of open fonds voor gemene rekening. Het inbrengen van het kapitaal moet dan wel gebeuren ten titel van kapitaalstorting. Voor de oprichting van een besloten vennootschap en een naamloze vennootschap is een gang naar de notaris nodig. Voor het oprichten van een open fonds voor gemene rekening is de hulp van een notaris niet nodig. Een open fonds voor gemene rekening moet over minimaal twee deelnemers beschikken. Daarnaast heeft deze rechtsvorm ook het voordeel dat er geen verplichting bestaat om jaarcijfers te deponeren in de kamer van koophandel. Dat betekent dat de buitenwereld niet kan zien hoeveel vermogen de oprichters bezitten. Verder scheelt dat in de administratieve lasten.

Door in 2017 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2, kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2018.

Lastenverhoging €2.500 voor gemiddeld MKB-bedrijf

Een gemiddeld MKB-bedrijf komt al gauw uit op een lastenverzwaring van circa €2.500. Dit als gevolg van de aangekondigde BTW-verhoging, maar ook door het afzien van een voorgenomen aanpassing van de Vpb. Dat meldt SRA.SRA sprak bij MKB Nederland in de werkgroep Fiscaliteit met een aantal branches over de effecten van de fiscale maatregelen en het Regeerakkoord van het kabinet. SRA heeft daarbij in ieder geval twee punten onder de aandacht gebracht.

Vpb

Het eerste punt betreft de verlaging van de Vpb (maatregel per 2019), of eigenlijk meer het effect dat het niet doorgaan van de (eerste) schijfverlenging van de Vpb in 2018 heeft. De eerste schijf zou verlengd worden naar €250.000, maar blijft nu op €200.000 staan. ‘Dit betekent per saldo gewoon een lastenverzwaring voor elke MKB-onderneming die meer dan €200.000 winst maakt van maximaal €2.500 (€50.000 x 5%Vpb). Het lijkt ons van groot belang om ook hier van moord en brand te spreken, immers het idee dat ondernemers alleen maar voordelen krijgen klopt dus niet’, aldus SRA.

BTW-verhoging

SRA wil de ‘door burgers en branches gevreesde’ verhoging van het lage btw-tarief in samenhang zien met andere maatregelen. De burger zal afwachtend zijn met uitgeven,  denkt SRA, want die voelt de ruimte die ontstaat als gevolg van de lagere IB-tarieven nog niet in de portemonnee. Dat kan bijvoorbeeld leiden tot lagere bestedingen in de vrijetijdssector. Om consumenten te laten ervaren dat de wijzigingen in de inkomstenbelasting inderdaad zorgen voor een hoger besteedbaar inkomen zou de BTW-verhoging naar het idee van SRA later dan 1 januari 2019 moeten worden ingevoerd. ‘Bijvoorbeeld per juli 2019. Of wellicht zelfs gespreid, elk jaar 1 procent erbij’. SRA belooft fiscaliteit te blijven aankaarten tijdens het besluitvormingsproces.

‘Nederland loopt achter met e-factureren’

Nederland is al tien jaar bezig met het toepassen van elektronisch factureren, maar e-factureren op basis van UBL komt moeizaam van de grond. Dat concludeert de UBL Readiness Monitor, die onder meer de accountancybranche oproept meer informatie te delen over het gebruik van e-facturering.

De monitor is een initiatief van Friso de Jong van het Platform E-factureren en Gerard Bottemanne van onderzoeksbureau GBNED. UBL (universal Business Language) is inmiddels de standaard. “En sinds kort is de Europese standaard EN 16931 met UBL als syntax definitief geworden. Dat laatste is een grote stap voorwaarts naar verdere standaardisatie op het gebied van elektronisch factureren op basis van UBL.” De meeste leveranciers van boekhoudsoftware voor het MKB hebben UBL ingebouwd in hun software.

Meerdere formaten

Dat er desondanks nog maar weinig e-facturen op basis van UBL worden gestuurd, komt onder meer doordat leveranciers van factuur- en boekhoudsoftware in het MKB elektronisch factureren vaak niet automatisch ‘aan’ hebben staan. “Ook wordt niet altijd actief gecommuniceerd dat UBL e-factureren een optie is in hun pakket.”
Bovendien zijn er meerdere UBL-formaten in omloop die niet door alle softwareleveranciers worden ondersteund. “Zo gebruikt de Rijksoverheid nog steeds een eigen UBL-OHNL formaat. In de praktijk leidt dat tot extra conversie en onduidelijkheid bij de leveranciers die UBL ondersteunen.”

Accountancy niet in beeld

Hoe het met de accountancywereld zit, is niet bekend: “Er is geen zicht in de mate waarop UBL in de praktijk gebruikt wordt binnen gemeenten, bedrijfsleven en accountancy. In het kader van de UBL Readiness Monitor zijn stakeholders als de VNG, VNO-NCW/MKB-Nederland en de NBA benaderd, maar zij hebben geen inzichten over het gebruik van UBL in de markt gedeeld.”

Meer documentatie nodig

De monitor levert een aantal aanbevelingen op. Zo zou er nog dit jaar voldoende publiek beschikbare documentatie moeten komen op basis waarvan softwareleveranciers de standaard EN-16931 met de syntax UBL kunnen implementeren binnen hun software. “Waarbij tevens validatieservice en testservice is geregeld en helpdeskfaciliteit. Rekening houdend met de in de praktijk gehanteerde factuurscenario’s.” De overheid zou een voortrekkersrol moeten vervullen, om te beginnen door de afwijkende UBL-variant zo snel mogelijk uit te faseren.

Basisrente spaartaks rond weekeinde bekend

Rond het weekeinde zal staatssecretaris Menno Snel (Financiën) aan de Tweede Kamer laten weten welke spaarrente hij als basis gaat gebruiken voor de vermogensbelasting. Dat schrijft de Telegraaf.

De zogenoemde spaartaks gaat volgend jaar flink omlaag. De fiscus zal veel meer rekening houden met de extreem lage rente die spaarders momenteel krijgen bij hun bank. Nu is dat nog 1,63 procent, maar volgens berekeningen van de Telegraaf, die volens de krant ‘herkend worden in Den Haag’, gaat de fiscus straks uit van een gemiddelde spaarrente van 0,35 procent. Dat is overigens nog steeds hoger dan de werkelijke spaarrente, die rond het nulpunt ligt. Tegelijkertijd zal het kabinet het belastingvrije deel verhogen van €25.000 naar €30.000. Door deze twee maatregelen zullen mensen met een spaarbedrag tussen de €25.000 en een ton tientjes tot een paar honderd euro minder belasting betalen.

geen reparatie voor wet Hillen

Woningeigenaren die hun hypotheek hebben afgelost, hebben door het aanstaande afschaffen van de wet Hillen een fiscale tegenvaller. De nieuwe staatssecretaris van Financiën Menno Snel laat weten dat er geen andere regeling wordt opgetuigd om deze groep van bijna een miljoen belastingplichtigen te compenseren.

De Hillen-regeling, ofwel de aftrek wegens geen of een geringe eigenwoningschuld, geldt voor het bedrag waarmee het eigenwoningforfait de aftrekbare kosten van de eigen woning overstijgt. Zijn er geen aftrekbare kosten, dan vervalt dus het volledige eigenwoningforfait in de huidige regelgeving. Het nieuwe kabinet wil deze regeling per 2019 schrappen, wat vragen uit de Tweede Kamer opriep. De meerderheid van de belastingbetalers die gebruik maakt van de Hillen-regeling (58%) is ouder dan 65 jaar. Bijna een kwart is tussen de 55 en 65. Gemiddeld levert de regeling een aftrekpost op van € 1.649. In totaal kost dat de regering jaarlijks € 1,6 mld. Aan het eind van de regeringsperiode is de regeling Hillen nog voor 90% van kracht, aldus Snel in een brief aan de Tweede Kamer. AOW-gerechtigden gaan er door de afschaffing in 2021 jaarlijks enkele tientjes op achteruit.

Bewuste keuze

Op vragen van Kamerleden Van Rooijen (50plus) en Leijten (SP) of er een mogelijkheid is om te voorkomen dat huizenbezitters per saldo bijtelling moeten gaan betalen over de eigen woning, is Snel duidelijk: “Een maatregel waarmee zou worden voorkomen dat per saldo belasting moet worden betaald over de eigen woning staat haaks op de in het regeerakkoord voorziene (geleidelijke) afschaffing van de regeling Hillen. Met het afschaffen van de Hillen-aftrek gaat een steeds grotere groep voor een toenemend bedrag per saldo belasting betalen over de eigen woning. Het afschaffen van de regeling Hillen houdt de bewuste keuze in om een per-saldo-heffing niet tegen te gaan. Vanaf het moment dat de regeling Hillen wordt uitgefaseerd, kan een matiging van de tariefcorrectie per definitie niet meer voorkomen dat er per saldo belasting over de eigen woning moet worden betaald.”

Aftrek verplicht

Het alternatief om geen hypotheek en de daarmee verband houdende aftrekbare kosten op te voeren in de aangifte, is geen optie. “Dit is geen keuze”, aldus Snel, die daarmee de stelling van zijn voorganger Wiebes onderschrijft dat de renteaftrek verplicht is. De staatssecretaris gaat wel in op de door Leijten genoemde mogelijk om een eigenwoningschuld die na 31 december 2012 is afgesloten en waarvoor een fiscale aflossingseis geldt, aan te passen. Daardoor zouden rente en kosten niet langer aftrekbaar zijn in box 1. “Dit kan door deze schuld om te zetten in een aflossingsvrije lening waardoor niet langer aan de wettelijk vereiste vormgeving wordt voldaan. Dat de schuld dan in box 3 valt, neemt niet weg dat de eigen woning zelf nog in box 1 valt en hiervoor het eigenwoningforfait in aanmerking wordt genomen. Door het uitfaseren van de Hillen-aftrek leidt een dergelijke keuze tot heffing over een deel van het eigenwoningforfait waardoor alsnog per saldo belasting wordt betaald over de eigen woning. In die zin biedt het voorstel van mevrouw Leijten dan ook geen oplossing.”