Belastingplan 2018 aangenomen door Eerste Kamer

De Eerste Kamer heeft dinsdag met onder anderen het Belastingplan 2018 ingestemd met een hele reeks aan belastingmaatregelen voor volgend jaar.

Het Belastingplan 2018, de Overige fiscale maatregelen 2018, het wetsvoorstel afschaffing van de BTW-landbouwregeling, het wetsvoorstel inhoudingsplicht houdstercoöperatie en uitbreiding inhoudingsvrijstelling en het wetsvoorstel uitfaseren aftrek wegens geen of geringe eigenwoningschuld konden allen op een meerderheid rekenen.

Moties

De Eerste Kamer nam twee moties aan. Hierin wordt de regering verzocht jaarlijks bij de Prinsjesdagstukken te rapporteren over de ontwikkeling van de marginale druk. Ook dient in de jaarlijkse besluitvorming in aanloop naar de Miljoenennota, Rijksbegroting en het Belastingplan expliciet nagegaan te worden hoe de extremen in marginale druk verder verminderd kunnen worden. De andere motie gaat over de doelmatigheidskorting voor het onderwijs.

Starter is gemiddeld 38 jaar

Jonge ondernemers beginnen vaak een webwinkel. Oudere startende ondernemers doen dit juist vaker als organisatieadviseur. Vrouwelijke ondernemers starten vaker dan mannen een kappers-, schoonheids- of nagelsalon. Verder beginnen vrouwen relatief vaak een bedrijf in de thuiszorg of in de kinderopvang. Ondernemers die in 2016 een bedrijf begonnen waren gemiddeld 38 jaar, net als in 2007.

Van 80 % van alle bedrijven die in de afgelopen tien jaar in de persoonlijke verzorging werd opgericht, was volgens het statistiekbureau de oprichter een vrouw. Dat zegt het CBS op basis van statistieken voor zelfstandigen. Het aandeel startende vrouwelijke ondernemers is het laagst in de bouw, de metaalindustrie en de reparatie- en installatiebranche. Hier hebben vrouwen slechts 4 % van alle bedrijven opgericht in de afgelopen tien jaar.

Delft steekt er bovenuit

Studentenstad Delft had van de gemeenten met ten minste 250 starters in 2016 het grootste aandeel jonge starters. Bijna een kwart was jonger dan 25 jaar. In Bergen in Noord-Holland startten relatief de meeste ouderen een bedrijf: 8 % van de starters was ouder dan 65 jaar. Van de 161.000 duizend ondernemers die in 2016 een bedrijf zijn gestart, deed bijna 60 % dat in Noord-Holland, Zuid-Holland of Noord-Brabant. In 2007 waren er ongeveer evenveel starters, maar lag het aandeel in deze drie provincies met 55 % iets lager.

Oost-Nederland minder starters

Rekening houdend met het aantal inwoners is de provincie Noord-Holland het meest ondernemend, met 13 startende ondernemers per 1000 inwoners. Daarna volgt Utrecht, met 11 startende ondernemers per 1000 inwoners. In de kustprovincies inclusief de Waddeneilanden zijn relatief veel startende ondernemers gevestigd, in het oosten van het land is het aantal starters relatief laag.  Amsterdam heeft van alle gemeenten het grootste aantal startende ondernemers, zowel absoluut als relatief. Afgezet tegen het aantal inwoners vallen nog enkele andere grote (universiteits- en HBO)steden op. In Groningen, Zwolle, Arnhem, Nijmegen, Enschede, Utrecht, Rotterdam en Den Haag wonen relatief veel startende ondernemers.

Migratie-achtergrond

Startende ondernemers met een niet-westerse migratieachtergrond starten het vaakst een bedrijf in de groothandel, de markthandel of een eet- en drinkgelegenheid. Ondernemers met een westerse migratieachtergrond zijn juist relatief sterk vertegenwoordigd in de bouw en de zakelijke dienstverlening. Daarentegen beginnen de ondernemers met een Nederlandse achtergrond relatief vaak een paramedische praktijk of een organisatieadviesbureau. Opvallend, ten slotte, is dat ongeacht de herkomst van de startende ondernemer er veel webwinkels worden opgericht.

6 btw-wijzigingen in 2018; eindejaarstips!

Ook voor de btw wordt er per 1 januari 2018 weer het nodige gewijzigd. Denk hierbij aan de afschaffing van de landbouwregeling, de aanscherping van de definitie van zeeschepen en geneesmiddelen. Wellicht is actie op deze punten nodig. En als u ontheffing wilt van de administratieve verplichtingen: vraag dit dan voor 1 januari a.s. aan!

1). Afschaffing btw-landbouwregeling/veehandelsregeling
Vanaf 1 januari 2018 zal de landbouwregeling worden afgeschaft. Daarbij vervalt ook het 6% btw-tarief voor diensten die worden geleverd aan land- en tuinbouwers, boshouders en veehouders, bijvoorbeeld de diensten van boekhouders en loonwerkers.

Door de afschaffing van de landbouwregeling moeten landbouwers en veehouders per 1 januari 2018 verplicht btw in rekening brengen aan de afnemers en een btw-administratie bijhouden. Dit heeft ook gevolgen voor paardenhouders, die voorheen de veehandelsregeling toepasten. Landbouwers kunnen de btw op investeringen die de voorgaande 4 jaren (roerende zaken) of 9 jaar (onroerende zaken) deels terugvragen op het moment dat zij in de btw-heffing gaan. Maak daarvoor nu alvast een herzieningsberekening.

Actiepunten in verband met afschaffing landbouwregeling/veehandelsregeling:

1. Er is ook na 1 januari 2018 geen btw verschuldigd over nationale en internationale subsidies, zoals betalingsrechten. Bij de verkoop van productierechten, zoals fosfaatrechten, zijn landbouwers vanaf 1 januari 2018 21% btw verschuldigd;
2. De afnemers van de landbouwondernemers kunnen zelf de factuur opmaken. Dit wordt selfbilling genoemd. De leverancier blijft altijd verantwoordelijk voor de inhoud van de factuur. Informeer afnemers daarom tijdig over de afschaffing van de landbouwregeling zodat de juiste gegevens op de factuur worden vermeld;
3. Het kan voor ondernemers financieel aantrekkelijk zijn om inkopen en verkopen rondom de datum van de overgang, 1 januari 2018, gunstig te plannen. Hiermee kan een btw voordeel worden behaald. Wanneer ondernemers van plan zijn te investeren, is het voordelig dit na 1 januari 2018 te doen. In dat geval kan de btw in één keer volledig worden teruggevraagd;
4. Let op bij inkopen uit en verkopen naar het buitenland en de juiste verwerking in de btw aangifte. Leveringen naar afnemers binnen de EU moeten bij vraag 3b in de btw aangifte worden aangegeven.

2). Geef een btw-schuld op
Ga na of er op 1 januari 2018 op de balans van de onderneming nog btw-schulden aanwezig zijn over 2017. Als dat het geval is dan is het van belang om deze schuld zo snel mogelijk bij de Belastingdienst via een ‘suppletie omzetbelasting’ te melden en te voldoen. Op deze manier wordt voorkomen dat de Belastingdienst heffingsrente en een boete oplegt. De suppletie wordt tijdig gedaan als deze wordt ingediend voordat de ondernemer redelijkerwijs moet vermoeden dat de Belastingdienst met de desbetreffende onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden.

Als de ondernemer tijdig een suppletieaangifte doet dan krijgt hij alleen een verzuimboete vanwege het (gedeeltelijk) niet of niet tijdig betalen van de verschuldigde btw. De boete is dan 5%, met een maximum van € 5.278. Als het te betalen btw-bedrag als gevolg van de suppletie niet hoger is dan € 20.000 of 10% van de eerder per saldo betaalde of terugontvangen btw over dat tijdvak, wordt er helemaal geen boete opgelegd. De Belastingdienst kan een aanvullende vergrijpboete opleggen als de ondernemer niet (tijdig) suppletieaangifte indient. Een vergrijpboete van maximaal 100% kan dan worden opgelegd. Deze vergrijpboete wordt opgelegd naast de verzuim- of vergrijpboete voor het niet tijdig of te weinig betalen van btw.

3). Ontheffing administratieve verplichtingen
Komt een ondernemer in aanmerking voor ontheffing van administratieve verplichtingen, dan moet de ontheffing vóór 1 januari 2018 worden aangevraagd. Een ondernemer komt hiervoor in aanmerking als hij naar verwachting in 2018 € 1.345 of minder aan btw moet betalen. Van belang is dat de ondernemer een natuurlijk persoon of samenwerking van natuurlijk personen is. Ook voor landbouwers die per 1 januari 2018 verplicht in de btw-heffing gaan is het raadzaam om na te gaan of zij in aanmerking komen voor de ontheffing van administratieve verplichtingen. Het nadeel is dat de ondernemer geen recht op aftrek van btw heeft en niet in aanmerking komt voor herziening van btw. Het voordeel is dat niet aan de administratieve vereisten van de btw hoeft worden voldaan.

4). Aanscherping definitie zeeschepen voor toepassing 0% btw tarief
De levering van zeeschepen, de bevoorrading van zeeschepen en diensten met betrekking tot zeeschepen is op dit moment belast met 0% btw. Vanaf 1 januari 2018 zal als extra voorwaarde hierbij worden opgenomen dat het betreffende zeeschip daadwerkelijk gebruikt wordt voor de vaart op volle zee. Hierdoor zal de levering van een zeeschip dat niet voor commerciële doeleinden wordt gebruikt voor de vaart op volle zee vanaf 1 januari 2018 belast zijn met het btw-tarief van 21%. Op dit moment is dat nog 0%. Plan een eventuele verkoop en levering van een zeeschip, de bevoorrading van zeeschip en diensten met betrekking tot een zeeschip daarom zoveel mogelijk in 2017 zodat nog gebruik kan worden gemaakt van het 0% btw-tarief.

5). Geneesmiddelen
De definitie van het begrip ‘geneesmiddelen’ wordt aangescherpt. Hierdoor zal zonnebrandcrème en tandpasta weer belast zijn met 21% btw. Om voor het verlaagde btw-tarief in aanmerking te komen wordt als extra voorwaarde gesteld dat het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen of het Europese Geneesmiddelenbureau een handelsvergunning moet hebben afgegeven voor een geneesmiddel of dat het middel hiervan expliciet is vrijgesteld.

6). Oninbare vorderingen
Voor facturen die op 1 januari 2017 of daarna zijn verzonden en welke niet worden betaald, geldt dat de btw terug mag worden gevraagd als de factuur één jaar nadat het factuurbedrag opeisbaar is geworden nog niet betaald is. De op de factuur vermelde betalingstermijn is het moment waarop de factuur opeisbaar wordt. Is er geen betalingstermijn vermeld dan geldt de wettelijke betalingstermijn van dertig dagen. Richt de administratie dusdanig in zodat blijkt welke facturen in januari 2018 of daarna langer dan een jaar open staan. Deze btw mag worden teruggevraagd in de btw-aangifte door deze te verrekenen bij vraag 5b of 1a/1b.

Geen belastingrente bij aanslagen erfbelasting

In een brief aan de Tweede Kamer heeft staatssecretaris Snel laten weten dat er geen belastingrente in rekening wordt gebracht bij aanslagen erfbelasting die zijn gedaan vanwege overlijdens op of na 1 januari 2017.

Vertraging

De maatregel is genomen omdat de invoering van het automatiseringssysteem waarmee de Belastingdienst de aangiftes behandelt eerder dit jaar vertraging heeft opgelopen. Mensen die eerder dit jaar al een aanslag erfbelasting hebben ontvangen vanwege een overlijden in 2017 waarin belastingrente wordt berekend hoeven die belastingrente in de aanslag niet te betalen. Het bedrag van de erfbelasting zelf moet uiteraard wel op tijd betaald worden. In januari verstuurt de Belastingdienst een brief met meer uitleg.

Teruggave

Als de belastingrente al betaald is volgt er nog een teruggave. Mensen hoeven daarvoor zelf niets te doen. In de brief in januari legt de Belastingdienst uit hoe en wanneer betrokkenen de belastingrente terugkrijgen

Tijdelijk

De maatregel is tijdelijk en duurt zolang de achterstand bij de Belastingdienst niet is weggewerkt.

Bij welke rendementen wordt boxhoppen aantrekkelijker?

Minder box 3 heffing is het doel als vermogen van box 3 naar box 2 wordt overgebracht. Door vermogen voor de waardepeildatum 1 januari van een jaar naar box 2 over te brengen, wordt het niet meegeteld voor de grondslag voor de box 3 vermogensbelasting. Daarbij moet een afweging gemaakt worden tot welk rendement het aantrekkelijk is om dat te doen. Vervolgens moet dat vermogen in het geval van boxhoppen minimaal 6 maanden uit box 3 wegblijven, wil men voorkomen dat er alsnog ook in box 3 inkomstenbelasting over verschuldigd is.

Eerst moet afgewogen worden of de vbi-status (vrijgestelde beleggingsinstelling) wordt aangevraagd. Als de vbi-status wordt aangevraagd zijn er twee aandachtspunten:

  1. Voor zover er geen of te weinig dividend wordt uitgekeerd in een jaar, is er 25% inkomstenbelasting verschuldigd over een forfaitair rendement van 5,38%. Per saldo 1,345%. Het forfaitaire inkomen wordt verlaagd met het in het jaar uitgekeerde dividend. Voor zover er een forfaitair rendement in aanmerking is genomen, verhoogt dit het fiscaal opgeofferde bedrag van de participaties in de vbi.
  2. Het vermogen dat box 3 verlaten heeft, moet minimaal 18 maanden in de vbi blijven

Dat betekent dat men dan twee peildata mist als het vermogen tegen het eind van het jaar wordt ingebracht. Als het rendement in de vbi lager ligt dan 5,38% loopt de belegger het risico dat er door het forfaitaire rendement in box 2 uiteindelijk meer inkomstenbelasting betaald is gedurende de looptijd van de vbi dan er verschuldigd is over het werkelijk behaalde rendement. Dit voorkom je door periodiek de vbi te ontbinden. Dan wordt er een eindafrekening gemaakt. Voor zover het fiscale opgeofferde bedrag van de participaties groter is dan de intrinsieke waarde resulteert dat in een verlies. Dit verlies kan terug gewenteld worden naar het daaraan voorafgaande jaar en daarmee verrekend worden.

Waar ligt het omslagpunt bij een duurzame overgang naar box 2?

Als vermogen duurzaam van box 3 naar box 2 gaat, ligt het omslagpunt qua rendement op de volgende percentages:

Bij de berekening is een onderscheid gemaakt tussen beleggen via de vbi en de besloten vennootschap (BV) op het open fonds voor gemene rekening (FGR).

Uit voorgaande blijkt dat het aanvragen van de vbi-status  er voor zorgt dat tot een hoger rendement inbrengen in box 2 interessant kan zijn. De keuze voor het wel of niet aanvragen van de vbi status, is dus afhankelijk van het verwachte rendement. Eigenlijk is het aanvragen van de vbi-status alleen aantrekkelijk als het rendement minimaal 5,38% bedraagt, als het box 3 vermogen duurzaam in de vbi wordt gebracht. In dat geval moet het om vermogen gaan dat in box 3 in de hoogste schijf belast is.

Bij hoge rendementen wordt box hoppen aantrekkelijker, vbi-status aanvragen niet

Zoals uit het volgende overzicht blijkt, zorgt boxhoppen ervoor dat het tot nog hogere rendementen aantrekkelijk is om vermogen tijdelijk naar box 2 over te brengen. Bij de berekeningen is er vanuit gegaan dat het vermogen eind december van jaar 0 overgaat naar box 2 en begin januari (BV/FGR) dan wel begin juli (VBI) van jaar 2 teruggaat naar box 3.

Boxhoppen betekent dat het vermogen wordt overgeheveld van box 3 naar box 2 en na een periode van minimaal 6 maanden en 1 dag na 1 januari weer terugkeert in box 3. Wij geven er de voorkeur aan het vermogen minimaal 1 jaar in te brengen. Het verschil tussen het gebruik van de VBI en de BV/FGR is beperkt. Dit wordt onder andere veroorzaakt, omdat het vermogen een half jaar langer in de VBI rendeert. De vraag is of het aanvragen van de VBI status daarmee nog wel aantrekkelijk is in relatie tot het boxhoppen.

Als u besluit om vermogen definitief over te brengen naar box 2 geldt voor het vermogen tot € 1 miljoen dat het omslagpunt bij een jaarrendement van 3,24% ligt. Daarboven kunt u uw vermogen beter in box 3 laten. Voor vermogen boven de € 1 miljoen is het omslagpunt 4,04%. Als u de vbi status niet aanvraagt. Als u het vermogen slechts kortdurend (maximaal de voorgeschreven termijn van 18 maanden) in de vbi laat, ligt het omslagpunt hoger. Dan is het omslagpunt 6,49% respectievelijk 8,07% voor vermogens tot € 1 miljoen en vermogens daarboven.

Bij voorgaande berekeningen is er geen rekening gehouden met de kosten van het oprichten van de BV of het open fonds voor gemene rekening.

Wordt het een BV of een open fonds voor gemene rekening?

Tot slot speelt nog de vraag hoe nu dat vermogen naar box 2 over te brengen. Dat kan door oprichting van een besloten vennootschap en het vermogen als kapitaal te storten. Wil men later kapitaal terugbetalen, dan is een gang langs de notaris wel vereist. Een open fonds voor gemene rekening kan bij een overeenkomst worden opgericht, waardoor een gang langs de notaris niet nodig is. Ook voor het terugbetalen van kapitaal is een gang langs de notaris niet nodig. Een open fonds voor gemene rekening is veel flexibeler.

Door in 2017 nog een deel van uw vermogen over te brengen naar box 2 kunt u een fors bedrag aan vermogensbelasting besparen in 2018. U zult voor uzelf na moeten gaan of het oprichten van een vbi gewenst is.

Vanaf 1 januari 2018 correctie BTW-aangifte alleen nog digitaal

Even een reminder. Vanaf 1 januari 2018 kan een correctie op een BTW-aangifte (‘suppletie’) alleen nog maar digitaal aan de Belastingdienst worden doorgeven.

Het doorgeven van een correctie kan vanaf het nieuwe jaar alleen nog maar via de website van de Belastingdienst, via eigen software of de adviseur kan de suppletie digitaal doorgeven. Wijzigingen waarbij € 1.000 of minder terug wordt gekregen of € 1.000 of minder moet worden bijbetaald, mogen ook in de eerstvolgende BTW-aangifte verwerkt worden.