Tabel I Wet op de Omzetbelasting geactualiseerd

De Belastingdienst heeft de toelichting op Tabel 1 bij de Wet op de omzetbelasting 1968 per 1 januari geactualiseerd. In de tabel staan de goederen en diensten waarvoor het verlaagde BTW-tarief van 6% geldt. De actualisering gaat onder andere over embolisatieproducten, medische rompertjes voor huisdieren, medische instrumenten die tumoren bestrijden en VR-brillen.

Embolisatieproducten

Embolisatieproducten die worden gebruikt om beschadigde bloedvaten te repareren en bloedvaten af te sluiten, hebben dezelfde medische functie als verbandmiddelen, tampons en hechtmiddelen. Dit is ook zo als zij zijn voorzien van geneesmiddelen of chemoproducten. Daarom geldt voor embolisatieproducten hetzelfde btw-tarief als voor verbandmiddelen: 6%. Dit is anders dan we meldden in het bericht van 23 november 2016 op onze website.

Medische rompertjes voor huisdieren

Rompertjes zijn op kledingstukken lijkende producten voor huisdieren, die onder andere worden gebruikt na medische ingrepen om wonden te bedekken en te beschermen. Zij kunnen tegen 6% btw worden geleverd, maar alleen als zij kunnen worden beschouwd als een verbandmiddel voor dieren. Rompertjes die ook worden aangeboden en gebruikt voor niet-medische doeleinden zoals ter bescherming bij loopse honden en als kleding, zijn géén verbandmiddelen. Daarom is de levering van zulke rompertjes belast tegen 21% btw.

Medische instrumenten die tumoren bestrijden

Medische instrumenten waarmee tumoren worden bestreden door het toedienen van microgolven of elektriciteit via naalden, zijn geen katheters. Een katheter is hoogstens een onderdeel van deze instrumenten. Daarom is de levering ervan niet belast met 6% btw, zoals de levering van katheters, maar met 21% btw.

VR-brillen

Het geven van gelegenheid tot het bekijken van een film met een VR-bril (Virtual Reality-bril) in een speciaal daarvoor ingerichte ruimte kan worden beschouwd als het verlenen van toegang tot een voor vermaak en dagrecreatie ingerichte voorziening. Tenminste, als deze ruimte permanent is ingericht voor vermaak en dagrecreatie. In dat geval geldt het btw-tarief van 6%. Het doet er dan niet toe of de gebruiker slechts voor een bepaalde, vooraf vastgestelde, tijd gebruik kan maken van de ruimte.

Hoogste producentenvertrouwen ooit

Het producentenvertrouwen in Nederland ging van 8,9 in december naar 10,3 in januari, maakt het CBS bekend. Nooit eerder waren industriële ondernemers zo optimistisch. Het vorige record (9,4) dateert uit januari 2008. Producenten zijn in januari 2018 vooral positiever over de verwachte bedrijvigheid.

Het vertrouwen van de industriële producenten ligt ruim boven het gemiddelde van de afgelopen twintig jaar (0,7). Het vertrouwen van de ondernemers bereikte in januari 2018 de hoogste waarde (10,3) en in februari 2009 de laagste (-23,5). Sinds oktober 2014 hebben positief gestemde ondernemers de overhand.

Verwachte bedrijvigheid

Producenten in de industrie waren in januari positiever over de verwachte bedrijvigheid dan een maand eerder. Daarentegen waren ze minder positief over hun orderportefeuille. Hun oordeel over de voorraden gereed product veranderde nauwelijks.

Alle deelindicatoren van het producentenvertrouwen zijn in januari 2018 positief. Zo zijn er meer ondernemers die verwachten dat hun productie de komende drie maanden zal toenemen dan ondernemers die een afname van de productie voorzien. Verder heeft het aantal ondernemers dat de orderpositie groot vindt de overhand op het aantal ondernemers dat de orderportefeuille klein acht, gelet op de tijd van het jaar. Ook is het aantal ondernemers dat de voorraad eindproduct als te klein beschouwt groter dan het aantal dat de voorraden te groot vindt.

Transportmiddelenindustrie meest positief

Al meer dan een jaar zijn in alle deelbranches de ondernemers positief. Het meest positief in januari waren de producenten in de transportmiddelenindustrie. Het CBS meldde vorige week dat in november opnieuw vooral de export van personenauto’s, machines en apparaten groeide. Verder groeide de productie van de transportmiddelenindustrie in november met ruim 18 procent.

Koolmees negeert advies uitstellen loonkostenvoordeel

Minister Koolmees (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) is niet van plan de invoering van het loonkostenvoordeel, onderdeel van de Wet tegemoetkoming loondomein (Wtl) met een jaar uit te stellen. Hij gaat daarmee voorbij aan het advies van het Bureau ICT-toetsing (BIT), dat oordeelde dat de voorbereidingen voor de implementatie van de wet te traag vorderen.

Het bureau heeft op verzoek van het ministerie een toetsing gedaan. De Wtl vervangt het systeem van premiekortingen voor werkgevers die kwetsbare groepen werknemers in dienst nemen. De Wtl bestaat uit het lage-inkomensvoordeel (LIV), voor werknemers met een loon tussen 100% en 125% van het minimuminkomen, het Jeugd-LIV voor werknemers met een minimumjeugdloon en het loonkostenvoordeel (LKV) voor oudere uitkeringsgerechtigden of arbeidsongeschikten. Het LIV is op 1 januari 2017 ingegaan, de overige twee regelingen begin dit jaar. De eerste uitbetalingen volgens het LIV staan gepland voor september.

Systemen niet op tijd af

Of dat allemaal soepel gaat verlopen, is maar de vraag, zo stelde BIT eind vorig jaar in het rapport: “Wij maken ons zorgen of voldoende tijd resteert om alle onderdelen van de Wtl zorgvuldig te kunnen invoeren. Wij vrezen dat een aantal belangrijke systemen niet op tijd af zal zijn en dat UWV en Belastingdienst zullen moeten terugvallen op tijdelijke en handmatige processen. Ook zal het niet meer lukken om tijdig te juiste gegevens te verzamelen voor de beleids- en verantwoordingsinformatie die nodig is om het effedt van de Wtl te kunnen evalueren.” Het BIT adviseerde Koolmees daarom het LKV met een jaar uit te stellen, ook omdat voor het LIV veel systemen nog niet af zijn.

Alternatief: twee maanden uitstel

Koolmees gaat niet mee in dat advies. Met betrekking tot het LIV is inmiddels voortgang geboekt, schrijft hij aan de Tweede Kamer. “Mocht het, desalniettemin, om uitvoeringstechnische redenen nodig zijn, dan is er de mogelijkheid tot het uitstellen van de voorlopige berekening en de beschikking van het LIV met maximaal twee maanden. Voor de overige onderdelen van de Wtl, de loonkostenvoordelen (LKV) en het jeugd-LIV bedraagt de resterende invoeringstijd nog meer dan een jaar. Deze onderdelen zijn weliswaar ingevoerd per 1 januari 2018, maar de eerste uitbetaling is pas uiterlijk medio september 2019 (over 2018). Bovendien kunnen deze onderdelen gebruik maken van de reeds ontwikkelde infrastructuur van het LIV.”

Geen LKV en geen premiekortingen

Uitstel van het LKV biedt geen soelaas, aldus Koolmees, omdat het onderdeel LIV al is ingegaan. “In de tweede plaats is het niet nodig het LKV uit te stellen, want de uitvoeringsinstanties kunnen nog geheel 2018 benutten voor de invoering van de LKV en Jeugd-LIV, omdat de uitbetaling pas na afloop van het kalenderjaar, uiterlijk medio september 2019, hoeft plaats te vinden. In de derde plaats kan het LKV niet meer uitgesteld worden. Het zou betekenen dat de huidige premiekortingen een jaar langer dienen door te lopen. De premiekortingen zijn echter medio 2017 al door mijn voorganger afgeschaft met ingang van 1 januari 2018. Uitstel van LKV zou voor werkgevers betekenen dat ze over 2018 geen LKV kunnen aanvragen, maar ook geen premiekortingen kunnen krijgen.”

Invoering vlaktaks: aanleiding om terugkeer uit of inbreng in bv te overwegen?

Iedere ondernemer moet jaarlijks nagaan of de gekozen rechtsvorm nog voldoet. Dat geldt voor zowel de IB-ondernemer als de ondernemer met zijn besloten vennootschap. Is de gekozen rechtsvorm vanuit fiscaal oogpunt nog wel optimaal? De aangekondigde plannen van het nieuwe kabinet, om over te stappen op inkomstenbelastingheffing met twee tariefschijven in box 1, vormen de aanleiding om de rechtsvorm kritisch te beoordelen. Veel ondernemers drijven hun onderneming vanuit de besloten vennootschap, wat vanuit fiscaal oogpunt vaak niet aantrekkelijk is.

Bij lagere winsten is IB-onderneming aantrekkelijker

Bij de start van de onderneming is er voor een bepaalde rechtsvorm gekozen. Daarna wordt er vaak niet meer gekeken of de gekozen rechtsvorm nog voldoet. Als een ondernemer met een besloten vennootschap minder dan € 150.000 winst maakt op jaarbasis, is het goed om na te gaan of het voortzetten als IB-onderneming de voorkeur verdient. Bij lagere winsten scheelt dat fors in de belastingheffing. Omgekeerd zal een IB-ondernemer die succesvol is en hoge winsten behaalt er vanuit fiscaal oogpunt goed aan doen om de IB-onderneming in te brengen in een besloten vennootschap.

Invoering vlaktaks verhoogt effectieve belastingdruk IB-ondernemer. Wordt de bv aantrekkelijker?

Na invoering van de semi-vlaktaks is tot een inkomen uit werk en woning in box 1 van € 68.600 36,93% inkomstenbelasting verschuldigd. Over het surplus is 49,5% verschuldigd. De aftrek van de verschillende ondernemersfaciliteiten wordt beperkt tot de eerste tariefschijf (36,93%). Denk daarbij aan de zelfstandigenaftrek, de MKB-winstvrijstelling maar ook de stakingsaftrek. De eenmanszaak ten opzichte van de besloten vennootschap wordt daardoor minder aantrekkelijk. De invloed van de heffingskortingen zijn in de berekeningen niet meegenomen. Een korting van 14% (MKB-winstvrijstelling) op het inkomen leidt nu tot een effectieve belastingdruk van 44,72% over inkomen in de hoogste tariefschijf (nu: 52%). Als de MKB-winstvrijstelling straks slechts aftrekbaar is tegen de eerste belastingschijf van 36,93%, leidt dat tot een effectieve belastingdruk van 44,33 % in de hoogste tariefschijf (straks: 49,5%). Alhoewel het toptarief is verlaagd, daalt de belastindruk voor de IB-ondernemer nagenoeg niet. Toch verwacht ik dat voor veel ondernemers een terugkeer naar de IB-onderneming vanuit de besloten vennootschap fiscaal interessant is.

Er kunnen ook niet fiscale motieven zijn om een besloten vennootschap op te richten

Er kunnen altijd andere motieven zijn om te kiezen voor een besloten vennootschap, bijvoorbeeld verwachte toekomstige groei, afnemers of leveranciers die dat vereisen of voor het beperken van aansprakelijkheidsrisico’s. De verkoop van de onderneming op korte termijn, kan ook aanleiding zijn om voor de rechtsvorm besloten vennootschap te kiezen. Deze aspecten moeten meegewogen worden bij de keuze om eventueel de onderneming vanuit privé voort te zetten.

De nieuwe belastingplannen vormen nu een mooie aanleiding om na te gaan of de gekozen rechtsvorm nog optimaal is. Maar eigenlijk zou iedere ondernemer jaarlijks voor zichzelf moeten nagaan of de rechtsvorm nog wel past. Wilt u weten of een terugkeer uit de bv voor u aantrekkelijk is? Dan kunt u dat laten berekenen.

SRA wijst op verhoging schenkingsvrijstellingen

De SRA wijst er op dat schenken bij leven vaak voordeliger is dan erven bij overlijden. De bedragen die belastingvrij geschonken kunnen worden zijn bovendien opnieuw verhoogd. 

In 2018 gelden de volgende schenkingsvrijstellingen:

 

 Kinderen € 5.363
 Kinderen 18-40 jaar (eenmalig) € 25.731
 of
 Kinderen 18-40 (eenmalig) indien schenking wordt aangewend voor een dure studie € 53.602
 Verkrijgers 18-40 jaar (eenmalig) indien schenking wordt aangewend voor de eigen woning € 100.800
 Overige verkrijgers € 2.147

Gastouder als ondernemer aangemerkt

In een zaak tussen de belastingdienst en een vrouw die al bijna 28 jaar werkzaam is als gastouder heeft de rechtbank Den Haag geoordeeld dat de vrouw als ondernemer aangemerkt kan worden. De belastingdienst bestreed dat de vrouw ten opzichte van de gastouderbureaus voldoende zelfstandig was en dat ze aan het urencriterium voldeed. De zaak draaide om de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) en de aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (ZVW) 2014, die de belastingdienst aan de vrouw oplegde.

De vrouw stond ingeschreven in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen en bij de Kamer van Koophandel. Ze werkte meerdere dagen in de week voor verschillende gezinnen en haalde daarmee jaarlijks bruto-inkomsten van rond de 15.000 euro binnen. De vrouw had overeenkomsten gesloten voor de opvang van acht kinderen met zes vraagouders.

Beoordeling

De rechtbank vond het relevant dat de vrouw een aantal financiële risico’s kon lopen. Zoals gastouders die niet betaalden, inkomensrisico bij ziekte, vakanties en omzetverlies vanwege opzeggingen door vraagouders. De rechtbank verwierp bovendien het verweer van de belastingdienst dat de vrouw niet zelfstandig genoeg was ten opzichte van het gastouderbureau. De vrouw was volgens de rechter nagenoeg geheel zelfstandig en was niet onderworpen aan strakke regels, controle en toezicht van de gastouderbureaus. De onderneemster sloot zelf overeenkomsten met de vraagouders en had de vrijheid om te bepalen hoeveel uur zij werkte en wanneer zij werkte.

Inkomsten en urencriterium

Aan de geringe omvang van de investeringen kende de rechter geen betekenis toe. Dat was inherent aan de aard van de activiteiten, kinderopvang op het woonadres van de vrouw. De rechtbank vond ook de tijdsbesteding van 1.599 uur geloofwaardig. Dit was gebaseerd op een opvang gedurende gemiddeld 3,8 dagen per week, 7,3 uur per dag en 49 weken per jaar, waardoor de vrouw ook aan het urencriterium voldeed en recht had op zelfstandigenaftrek.