Bijna twee derde ondernemers is ZZP’er

Acht procent van de ZZP’ers heeft in de afgelopen drie jaar personeel aangenomen en bijna een kwart (24%) van de ZZP’ers zegt geen personeel aan te nemen vanwege de financiële risico’s. Dat blijkt uit onderzoek in het KvK Ondernemerspanel. Bijna twee derde (64%) van alle 1.818.672 bedrijven in Nederland is nu ZZP’er. Dit staat in de KvK Zzp-dynamiek die vandaag verschijnt.

De KvK Zzp-dynamiek geeft een beeld van de ontwikkelingen bij ZZP’ers. Naast de tellingen op basis van het Handelsregister biedt het rapport ook de uitkomsten van onderzoek in het KvK Ondernemerspanel.

Groei

Het totale aantal in het Handelsregister geregistreerde ZZP’ers groeide in de afgelopen vijf jaar met 31% naar 1.162.562 op 1 januari 2018. In 2017 nam het aantal fulltime ZZP’ers met 5% (44.625) toe tot 927.319 op 1 januari 2018; het aantal parttime ZZP’ers (die minder dan 15 uur per week in hun bedrijf steken) groeide met 7% (16.164) tot 235.243.

Vernieuwing zorgt voor groei

Uit analyses op basis van onderzoek in het KvK Ondernemerspanel kwam naar voren dat vernieuwing een belangrijke rol speelt bij de omzetontwikkeling. Zowel productinnovatie, het betreden van nieuwe markten en het toepassen van technologische vernieuwingen hebben een positieve invloed op de omzetontwikkeling. Bijna de helft (45%) van de ZZP’ers heeft in de afgelopen drie jaar nieuwe producten of diensten op de markt gebracht. Van deze groep vernieuwers heeft de helft deze nieuwe producten of diensten voornamelijk zelf ontwikkeld, een vijfde (19%) heeft dit vooral door andere bedrijven laten doen en een derde (32%) heeft dit samen met andere bedrijven of instellingen gedaan. Daarnaast heeft meer dan een derde van de ZZP’ers in de afgelopen drie jaar procesvernieuwingen (38%) en organisatorische of marketing vernieuwingen (37%) gerealiseerd.

Samenwerking

ZZP’ers werken regelmatig tot vaak samen met andere partijen: met andere ZZP’ers (33%), andere bedrijven (31%) en/of met klanten (29%). Slechts 12% werkt regelmatig tot zeer vaak samen met kennisinstellingen. Samenwerken wordt hoofdzakelijk gedaan voor het delen van kennis en vaardigheden, het delen van kennis en vernieuwing en het opbouwen van een netwerk. Daarnaast worden ook schaalvoordelen en gezamenlijke acquisitie genoemd.

Startactiviteiten

De meest voorkomende sectoren waarin gestart wordt in 2017, zijn de Zakelijke dienstverlening (vooral organisatie- en adviesbureaus), Bouw (vooral in woning- en kantorenbouw), Gezondheid (vooral in de thuiszorg), Detailhandel (veel parttimers starten internetwinkels) en Cultuur, Sport en Recreatie (veel nieuwe schrijvers en podiumkunstenaars). Verder is er een sterke toename van het aantal startende fulltime en parttime ZZP’ers in de activiteiten Koeriers en Goederenvervoer over de weg: in 2017 waren er 42% meer starters dan in 2016 (van 1.687 naar 2.396 starters in 2017). In totaal waren 11.128 fulltime en parttime ZZP’ers op 1 januari 2018 ingeschreven onder de activiteiten Koeriers en Goederenvervoer over de weg.

Meewerkende partner in BV: geen arbeidscontract, wel werknemer

Een partner van een DGA die werkzaamheden verricht voor een BV, hoeft niet per se een arbeidsovereenkomst te hebben om toch als werknemer te worden beschouwd. Dat volgt uit een recente uitspraak van de Centrale Raad van Beroep.

De vrouw van een DGA verricht werkzaamheden voor de BV. Als de BV failliet gaat, vraagt zij het UWV vergeefs om de betalingsverplichtingen van de BV over te nemen in verband met betalingsonmacht. Zij is geen werknemer in de zin van de WW, want er ontbreekt een schriftelijke arbeidsovereenkomst, is de argumentatie. De vrouw is daarom niet op grond van dezelfde voorwaarden werkzaam als een andere werknemer binnen het bedrijf. Volgens de uitkeringsinstantie voerde zij bovendien haar werkzaamheden uit in een verhouding die in overwegende mate werd bepaald door haar (huwelijks)relatie met de eigenaar van het bedrijf. Er was daarvoor onvoldoende sprake van een gezagsverhouding. Tot slot was het loon onevenredig hoog.

Gezagsverhouding nodig

De rechtbank gaat mee in de redenering van het UWV. Een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen echtelieden is in de regel niet aannemelijk, omdat gewoonlijk de vereiste gezagsverhouding zal ontbreken, aldus de rechter. De vrouw gaat naar de Centrale Raad van Beroep. Zij voert onder meer aan dat zij sinds 1999 bij het bedrijf werkte, dat toen nog eigendom was van haar schoonvader.

De raad vindt, anders dan de rechtbank, dat een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen (ex-)echtgenoten in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding. “Niet kan in zijn algemeenheid worden verondersteld dat daarvan in de arbeidsrelatie tussen (ex-)echtgenoten geen sprake zal zijn. Dit dient in een concreet geval met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld.” Maatstaf moet zijn of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag is onderworpen van de wederpartij en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. Dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is, wil nog niet zeggen dat er niet van een arbeidsovereenkomst sprake is.

Gehoor geven aan oproepen

De vrouw werkte in beginsel twee middagen per week en verrichte als dat uitkwam ook andere werkzaamheden. Later deed zij daarnaast administratief werk. “De aard van de werkzaamheden van appellante bracht met zich dat van haar een flexibele inzet werd gevraagd. Daardoor werkte zij de ene week meer uren dan de andere week, afhankelijk van de omvang van de vereiste werkzaamheden. Ter zitting is gebleken dat appellante en haar echtgenoot deze afspraken wat betreft inzetbaarheid in het verleden hebben gemaakt en appellante ook daadwerkelijk aan de oproepen gehoor gaf. Daarmee is duidelijk dat appellante instructies kreeg van haar echtgenoot over de aard en het tijdstip van haar werkzaamheden. Dat appellante mogelijk eerder geneigd was gehoor te geven aan deze verzoeken omdat het om het bedrijf van haar echtgenoot ging en het voelde als werken voor zichzelf, maakt de beoordeling niet anders.”
Dat er geen functioneringsgesprekken werden gevoerd, maakt niet dat er geen controle op de werkzaamheden kon plaatsvinden, aldus de raad. “Bij de beoordeling of aan het element gezagsverhouding is voldaan, is mede van betekenis dat de positie die appellante bekleedde binnen de organisatie (aanzienlijk) lager was dan die van haar echtgenoot. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat er sprake was van een gezagsverhouding tussen appellante en haar echtgenoot.”
De vrouw was dus wel degelijk werknemer, concludeert de raad. Het UWV moet opnieuw een beslissing nemen en wordt veroordeeld in de proceskosten.

Hoekstra overweegt verlenging bewaartermijn

Minister Hoekstra (Financiën) wil onderzoeken of de wettelijke bewaartermijn in het kader van de Wet aanvullende maatregelen accountantsorganisaties (Wta) moet worden verlengd van zeven naar tien jaar. Hij schrijft dat in antwoord op vragen die de Eerste Kamer heeft gesteld bij de behandeling van het wetsvoorstel.

De VVD-fractie wilde weten hoe de nieuwe verjaringstermijn van tien jaar voor tuchtklachten zich verhoudt tot de wettelijke fiscale bewaartermijn van zeven jaar. “Er is geen direct verband tussen deze
wettelijke fiscale bewaartermijn en de nieuwe verjaringstermijn van tien jaar in het accountantstuchtrecht”, aldus Hoekstra. Accountantsorganisatie hoeven na zeven jaar niet langer het
controledossier te bewaren. Maar de minister wil wel kijken of die termijn moet worden verlengd: “De accountantsorganisatie kan, met het oog op mogelijke tuchtklachten aan het adres van de bij het controledossier betrokken externe accountants, ervoor kiezen het controledossier langer te bewaren. Desalniettemin zal nader worden onderzocht of ook deze termijn naar tien jaar dient te worden verlengd.”
Voor de nieuwe verjaringstermijn komt een overgangsregeling, meldde de minister eerder aan de Tweede Kamer.

Zorg en onderwijs voorlopig niet onder OOB-regime

De leden van de PvdA-fractie wilden weten of zorg- en onderwijsinstellingen van een bepaalde omvang niet ook moeten worden aangemerkt als OOB. Hoekstra ziet dat niet zitten: “Eerder is besloten om onderwijs- en zorginstellingen niet aan te merken als OOB’s. Met de aanwijzing van het merendeel van de woningcorporaties, alle netbeheerders, grote pensioenfondsen en de grote instellingen voor het
wetenschapsbeleid (KNAW, KB en NWO) wordt het aantal OOB’s aanzienlijk uitgebreid. Het is raadzaam om de effecten van de voorgenomen aanwijzing voor de aangewezen instellingen, accountantsorganisaties en de markt als geheel af te wachten, alvorens wordt overwogen om andere instellingen onder het OOB-regime
te brengen.”

Vertraging AMvB

De PvdA-fractie wilde weten waarom de algemene maatregel van bestuur waarmee verschillende instellingen worden aangewezen als OOB nog niet is vastgesteld. Volgens Hoekstra is er vertraging ontstaan doordat bij de consultatie van het ontwerpbesluit in april vorig jaar is gebleken dat het besluit nadere aandacht vereist ten aanzien van de eisen aan de auditcommissie. “Hierbij is onder meer van belang dat deze eisen in de Wta momenteel alleen gelden voor vennootschappen in de private sector. Deze eisen zijn niet in alle gevallen passend voor (semi-)publieke instellingen. Daarnaast is in de consultatieperiode naar voren gekomen dat het overgangsrecht nader moest worden bezien om een zorgvuldige overgang naar het nieuwe regime te borgen. Door de noodzakelijke afstemming over deze en andere onderwerpen met eengroot aantal bij dit proces betrokken partijen is vertraging ontstaan. Het besluit treedt zo spoedig mogelijk in werking.”

Intrekken vergunning

De PvdA’ers vroegen, met verwijzing naar het AFM-rapport over accountants van vorig jaar en de geconstateerde vertraging in het verandertraject, of het wetsvoorstel wel voldoende waarborgen bevat dat OOB-accountants snel de gewenste verandering realiseren. Hoekstra wijst op maatregelen als het instellen van een orgaan belast met het interne toezicht voor betere checks and balances tussen de verschillende
organen en de introductie van de geschiktheidseis. “Naast bovengenoemde maatregelen wordt er meer gedaan om de kwaliteit van de wettelijke controles te verbeteren. Een pakket van maatregelen, bestaande uit
implementatie van Europese regels, aanvullende wettelijke maatregelen in het onderhavige wetsvoorstel, de implementatie en borging van de maatregelen in het NBA-rapport en de vervolgstappen die de sector dient te zetten naar aanleiding van het eerste verslag van de Monitoring Commissie Accountancy en het AFM-rapport van 28 juni 2017, moeten leiden tot een duurzame gedrags- en cultuurverandering en daarmee tot een verhoging van de controlekwaliteit. Een duurzame gedrags- en cultuurverandering kan niet uitsluitend worden afgedwongen met wetgeving, maar moet vooral vanuit de sector en accountants zelf komen.” Alleen de AFM kan beoordelen of de gewenste omslag plaatsvindt. “Als dat in de toekomst niet het geval is, is het ook dan aan de AFM om af te wegen welke handhavingsmiddelen ingezet worden.” Bij het uitblijven van verbetering ziet Hoekstra de mogelijkheid om het intrekken van een vergunning als laatste redmiddel in te zetten.

Geen uitbreiding geschiktheidseis en informatieplicht

Hoekstra antwoordt verder op vragen van PvdA-senatoren dat hij geen reden ziet om de geschiktheidseis uit te breiden tot accountantsorganisaties die geen wettelijke controles verrichten. Er komt voorlopig ook geen regeling die erin voorziet dat uitgebreidere informatieverstrekking door de gecontroleerde onderneming over strategie en continuïteitsrisico’s (inclusief een continuïteitsanalyse) wordt
opgenomen in het jaarverslag of de jaarrekening van de onderneming. Er vindt al informatieverstrekking plaats door het bestuur van een onderneming in de jaarrekening en het bestuursverslag over strategie, continuïteitsrisico’s en/of andere risico’s en de accountant neemt deze informatie mee in zijn
controlewerkzaamheden, schrijft Hoekstra. “Ik zie dan ook op dit moment geen reden om hier in te
grijpen. Die conclusie wordt ook ingegeven door de omstandigheid dat de jaarrekening en het bestuursverslag in grote mate worden beheerst door zelfregulering (de richtlijnen van de Raad voor de Jaarverslaggeving en de wettelijk verankerde Corporate Governance Code) en door wetgeving die in hoge mate Europees geharmoniseerd is. Het ligt daarom niet voor de hand om in Nederland op dit terrein een individuele koers te gaan varen, mede gezien de complexiteit van het onderwerp, de moeilijke vraagstukken die daarbij een rol spelen en het internationale speelveld.”