Menzis moet slapend dienstverband beëindigen en transitievergoeding uitbetalen

De kantonrechter veroordeelt Menzis de arbeidsovereenkomst met een blijvend arbeidsongeschikte werkneemster op te zeggen en de transitievergoeding van ruim 45.000 euro uit te betalen. Volgens de kantonrechter handelt de werkgever in strijd met goed werkgeverschap.

De werkneemster heeft Menzis meerdere keren verzocht om de arbeidsovereenkomst op te zeggen onder de toekenning van de transitievergoeding. Menzis heeft haar in verschillende reacties laten weten daartoe niet bereid te zijn. Zonder eerdere opzegging zal de arbeidsovereenkomst eindigen op 18 november 2019, omdat de werkneemster dan de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dan kan zij geen aanspraak meer maken op een transitievergoeding.

Wet compensatieregeling transitievergoeding

Veel werkgevers weigeren om de contracten met langdurige werknemers na 2 jaar ziekte op te zeggen. Zij willen na 2 jaar loondoorbetaling, niet ook nog een transitievergoeding betalen. Omdat de wetgever zulke slapende dienstverbanden onwenselijk vindt, treedt op 1 april 2020 de Wet compensatieregeling transitievergoeding in werking. Deze wet regelt dat werkgevers die na 1 juli 2015 de arbeidsovereenkomst met een langdurig zieke werknemer hebben opgezegd of zullen opzeggen, de transitievergoeding terug kunnen krijgen van het UWV.

Mede omdat werkgevers de transitievergoeding – uitbetaald voor 1 april 2020 – pas daarna bij het UWV uitbetaald kunnen krijgen, weigeren nog steeds veel werkgevers om de arbeidsovereenkomst met een langdurig zieke werknemer op te zeggen en de transitievergoeding uit te betalen.

Zwaarwegend belang

De werkneemster leeft als gevolg van haar ziekte in een groot (sociaal) isolement en heeft groot belang bij opzegging van de arbeidsovereenkomst door Menzis omdat zij dan aanspraak heeft op de transitievergoeding. Menzis heeft bij het laten voortbestaan van het dienstverband geen belang. Het ‘voorfinancieren’ van de transitievergoeding tot 1 april 2020 is voor Menzis geen probleem, oordeelt de kantonrechter.

Aanspraak op transitievergoeding

Het principiële bezwaar dat Menzis heeft tegen het betalen van een transitievergoeding aan duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers wordt verworpen omdat de wetgever ook die categorie werknemers bij opzegging aanspraak op een transitievergoeding geeft.

Het belang van Menzis, als werkgever, om het beroep op het fonds van het UWV voor compensatie zo beperkt mogelijk te houden omdat dat een omvangrijk beroep op compensatie mogelijk tot premieverhoging voor alle werkgevers en dus ook Menzis leidt is onvoldoende zwaarwegend om op te wegen tegen het belang van de werkneemster.

Goed werkgeverschap

Gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak is, ondanks dat in de wet geen verplichting voor werkgevers is opgenomen om in gevallen als deze de arbeidsovereenkomst op te zeggen, het ‘niet opzeggen’ en het ‘niet betalen van de transitievergoeding’ in strijd met wat van Menzis als goed werkgever verwacht mag worden. De rechtbank veroordeelt Menzis daarom de arbeidsovereenkomst op te zeggen onder toezegging de transitievergoeding van ruim 45.000 euro te zullen betalen.

Hoge Raad

Er loopt momenteel een zaak bij de Hoge Raad over dit onderwerp. Hierover wordt in het najaar een uitspraak verwacht.

Bron: rechtspraak.nl

Hof zet verhuurd tuinhuisje in box 3

Het echtpaar begint in 2015 met het verhuren van hun tuinhuis via Airbnb. Dat levert het eerste jaar ruim € 3.500 op. Dat bedrag wordt niet opgegeven bij de IB-aangifte. Wel wordt de fiscus in mei 2016 ingelicht over de verhuur. In 2017 volgt een navorderingsaanslag: een kleine € 2.500, zijnde 70% van de inkomsten, is tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. Er is sprake van tijdelijke verhuur van de eigen woning.

Wet IB zwijgt over gedeeltelijke verhuur

Daar gaat het echtpaar niet mee akkoord. Er wordt maar een deel van de woning verhuurd, betogen zij, dus is inkomstenbelasting niet van toepassing. De rechtbank is het daarmee eens: in de Wet IB 2001 wordt alleen gesproken over tijdelijke verhuur van de gehele woning. Het tuinhuis kan ook niet in aanmerking worden genomen bij de heffingsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen, aldus de rechtbank. ‘De woning wordt immers inclusief het tuinhuis als eigen woning in aanmerking genomen als bestanddeel van het belastbaar inkomen uit werk en woning.’

Tuinhuis hoort niet bij eigen woning

Het gerechtshof overweegt in hoger beroep dat het tuinhuis slechts tijdelijk als hoofdverblijf aan het echtpaar ter beschikking staat. ‘Het tuinhuis kan in dat geval niet tot de eigen woning worden gerekend.’ De inkomsten uit de verhuur zijn dus niet als belastbare inkomsten uit eigen woning aan de heffing van inkomstenbelasting onderworpen.

Anders dan de rechtbank oordeelt het hof wél dat het tuinhuisje zelf  in box 3 in aanmerking moet worden genomen. Het tuinhuis behoort immers niet tot de eigen woning. ‘Uit het systeem van de wet volgt dat het tuinhuis dan behoort tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen.’

Staatssecretaris Snel had vorig jaar nog laten weten dat verhuur van delen van de eigen woning wel als inkomsten uit werk en woning moesten worden gezien.

Uitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:2424