Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers

Door de maatregelen tegen het coronavirus derven veel zelfstandige ondernemers, onder wie zzp’ers, inkomsten. Het kabinet ondersteunt hen met een tijdelijke regeling (Tozo), vooralsnog tot 1 juni 2020. Deze regeling voor zelfstandige ondernemers met financiële problemen wordt uitgevoerd door gemeenten.

Er zijn 2 vormen van ondersteuning mogelijk:

  • De gemeente biedt voor maximaal 3 maanden inkomensondersteuning tot aan het sociaal minimum
  • Daarnaast kan een lening voor bedrijfskapitaal worden aangevraagd

Uitgangspunt is een eenvoudige regeling die het mogelijk maakt dat gemeenten binnen 4 weken na aanmelding kunnen beschikken. De kamerbrief over het volledige pakket maatregelen leest u hier. Op de website van de Rijksoverheid vindt u bovendien altijd de laatste informatie over ontwikkelingen rondom het coronavirus. 

Wanneer is de regeling bekend?
SZW werkt nu aan de regeling (AMvB) en verwacht uiterlijk 25 maart meer details te kunnen bieden. De regeling zelf is er dan nog niet, vanwege de procedures die eraan verbonden zijn. Dit kan nog enkele weken duren. De nieuwe tijdelijke regeling is geënt op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) en hangt onder de Participatiewet. SZW zal in de regeling waar mogelijk aansluiten op en verwijzen naar het Bbz zodat in ieder geval in eerste instantie zoveel mogelijk hetzelfde proces gevolgd kan worden.

Kan de gemeente al uitkeren op grond van de regeling?
De regeling is nog niet van kracht. Gemeenten kunnen aanvragen wel in behandeling nemen, maar nog niet beschikken. Gemeenten die zzp’ers alvast willen ondersteunen in afwachting van de nieuwe regeling, kunnen dit doen door het verlenen van een voorschot. Daarvoor kan de gewone voorschotbepaling uit de Participatiewet gebruikt worden (artikel 52 P-wet). Door de terugwerkende kracht van de tijdelijke regeling ontstaat dan later de grondslag voor het voorschot.

Hiervoor kunnen gemeenten gebruikmaken van het bestaande aanvraagformulier, inschrijving KvK, ID bewijs en bankafschriften en de bestaande beschikkingen en brieven. Voor de definitieve toekenning zal een nieuwe beschikking gemaakt moeten worden, want er komt een nieuwe onderliggende AMvB. De projectgroep (zie hierna) zal een modelbeschikking maken en via Divosa en de VNG onder de aandacht brengen bij gemeenten. 

Terugwerkende kracht tot 1 maart
De regeling is vooralsnog voor 3 maanden en kent een looptijd tot 1 juni 2020. De regeling werkt terug tot 1 maart. Beoogd is daarmee de binnenkomst van de aanvragen te spreiden. Als aanvragen gespreid binnenkomen, ontlast dat de gemeente en worden de mensen met de hoogste nood als eerste geholpen. Er is geen ‘budgetlimiet’ of iets dergelijks. 

Hoe gaat de regeling eruit zien?
De contouren van de regeling zijn geschetst in de brief aan de Tweede Kamer van 17 maart. Ondersteuning kan worden aangevraagd in de vorm van een aanvullende uitkering voor levensonderhoud en/of voor bedrijfskapitaal. De uitkering voor levensonderhoud vult het inkomen aan tot het sociaal minimum. Op een lening voor bedrijfskapitaal kan een beroep worden gedaan om liquiditeitsproblemen op te lossen. 

De tijdelijke regeling is aanvullend op de overige maatregelen die worden getroffen in fiscaliteit en in de borgstellingssfeer voor ondernemers en is geënt op het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Deze tijdelijke regeling bevat de volgende elementen:

  • De toets op levensvatbaarheid die het Bbz kent, wordt niet toegepast, waardoor een snelle behandeling van aanvragen mogelijk is
  • Daarmee wordt binnen 4 weken voor een periode van maximaal 3 maanden inkomensondersteuning voor levensonderhoud verstrekt. Nu kan dat 13 weken duren. Daarbij kan er met voorschotten worden gewerkt
  • De hoogte van de inkomensondersteuning is afhankelijk van het inkomen en de huishoudsituatie maximaal € 1.503,31 per maand (netto)
  • Deze versnelde procedure geldt ook voor aanvragen voor een lening voor bedrijfskapitaal tot maximaal € 10.157
  • De inkomensondersteuning voor levensonderhoud wordt ‘om niet’ verstrekt; de ondernemer weet dus zeker dat deze niet later terugbetaald hoeft te worden. Er is in deze tijdelijke regeling geen sprake van een vermogens- of partnertoets
  • Bij de verstrekking van een lening voor bedrijfskapitaal wordt een mogelijkheid tot uitstel van de aflossingsverplichting opgenomen
  • Bij de verstrekking van een lening voor bedrijfskapitaal zal een lager rentepercentage dan nu in het Bbz geldt worden gehanteerd

Worden gemeenten financieel gecompenseerd?
Gemeenten zullen volledig gecompenseerd worden voor het extra beroep op aanvullende bijstand, bedrijfskapitaal en voor uitvoeringskosten. U ontvangt hierover nadere informatie. 

Voor wie geldt deze nieuwe regeling?
De extra tijdelijke ondersteuning voor gevestigde ondernemers is gemaakt voor zelfstandig ondernemers die in de knel komen door de coronacrisis. Voor hen heeft het kabinet financiële ondersteuning beschikbaar gesteld. Het kabinet doet een moreel appel op ondernemers om zich alleen in die situatie te melden. Zo voorkomen we onbedoeld gebruik van publieke middelen en onnodige druk op de uitvoering. 

Meer specifiek gelden de volgende eisen:

  • gevestigde zelfstandigen, vanaf 18 jaar tot de pensioengerechtigde leeftijd
  • woonachtig en rechtmatig verblijvend in Nederland
  • Nederlander of daarmee gelijkgesteld
  • het bedrijf of zelfstandig beroep wordt in Nederland uitgeoefend
  • voldoet aan wettelijke vereisten voor de uitoefening van het eigen bedrijf, waaronder ingeschreven in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel
  • is vóór 1 januari 2020 gestart met de onderneming en voldoet aan het urencriterium, dat wil zeggen minimaal 1.225 uur per jaar werkzaam in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep
  • woonachtig in de gemeente, waar aanvullende inkomensondersteuning wordt aangevraagd

Komt er ondersteuning voor gemeenten?
Ja. Het ministerie van SZW, de VNG en Divosa hebben de projectgroep Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers opgericht. Deze projectgroep, waarin intensief wordt samengewerkt in verschillende werkgroepen, draagt zorg voor

  • een werkbare wettelijke regeling als juridische basis
  • afdoende financiële middelen voor gemeenten
  • eenduidige communicatie over de regeling naar ondernemers en gemeenten op basis van een gezamenlijk communicatieplan
  • ondersteunende instrumenten voor gemeenten zoals bijvoorbeeld instructies, digitale inwerkcursus, modelbeschikkingen, aanvraagformulieren (mogelijk een vereenvoudigd aanvraagformulier). Doel hiervan is dat zo snel en efficiënt mogelijk uitvoering kan worden gegeven aan de nieuwe regeling en extra mensen op de uitvoering daarvan kunnen worden ingewerkt
  • ondersteunende digitale voorzieningen. Samen met gemeenten en gemeentelijke softwareleveranciers van backendsystemen onderzoeken we óf en welke aanvullende informatiekundige voorzieningen ter ondersteuning van het indienen en verwerken van de aanvragen noodzakelijk zijn
  • monitoring van de voortgang en bijsturing waar nodig

Ook leggen we verbinding met vertegenwoordigers van ondernemers en vakbonden.

Belastingdienst checkt bij online aangifte op zelfstandigenaftrek

De Belastingdienst biedt zzp’ers een ondernemerscheck aan om te bepalen of ze ondernemer zijn voor de inkomstenbelasting. Nieuw is dat dit jaar extra hulpteksten in het aangifteprogramma zijn toegevoegd, meldt de fiscus.

Deze periode doen ruim 1,4 miljoen ondernemers, waaronder veel zzp’ers de aangifte inkomstenbelasting over 2019. Zo’n 450.000 van hen vullen zelf de belastingaangifte in op Mijn Belastingdienst. Anderen besteden de aangifte uit aan een belastingadviseur of administratiekantoor.

Hulpteksten

De Belastingdienst heeft extra hulpteksten in de online aangifte toegevoegd, om ondernemers die zelf aangifte doen te helpen bij het juist en volledig invullen van het winstgedeelte. Hierin wordt vooral aandacht gevraagd voor het vooraf checken op het recht op zelfstandigenaftrek. Hiervoor is het gebruik van de OndernemersCheck verstandig. Deze helpt zzp’ers te bepalen of zij aangifte moeten doen als ondernemer of als particulier en welke aftrekposten zij kunnen benutten.

Kleine ondernemers

Voor kleine ondernemers is het belangrijk dat zij weten of de Belastingdienst hen ziet als ondernemer voor de inkomstenbelasting en of zij het winstgedeelte van de aangifte moeten invullen. Hiervoor wordt onder andere gekeken naar de omzet, de mate van zelfstandigheid en het ondernemersrisico. Voor bepaalde aftrekposten geldt bovendien dat zij ten minste 1.225 uur aan hun onderneming moeten besteden, dit is het urencriterium. De Belastingdienst brengt daarom de OndernemersCheck aan het begin van de online aangifte onder de aandacht. Deze check geeft zzp’ers aan de hand van ongeveer twintig vragen snel én anoniem een goede indicatie of zij ondernemer zijn voor de inkomstenbelasting. Ondernemers voor de inkomstenbelasting kunnen in aanmerking komen voor een aantal aftrekposten en regelingen, zoals de MKB-winstvrijstelling.

Hulpteksten

Nieuw is dat dit jaar extra hulpteksten in het aangifteprogramma zijn toegevoegd. Zo verschijnt er een melding wanneer de ondernemer een lage omzet opgeeft in combinatie met een hoog aantal uren besteed aan bedrijfsactiviteiten. Die combinatie ligt niet voor de hand waardoor er volgens de Belastingdienst hoogstwaarschijnlijk geen gebruik gemaakt kan worden van aftrekposten die afhankelijk zijn van het urencriterium. Deze nieuwe meldingen voorkomen fouten in de aangifte.

Brieven over zelfstandigenaftrek bij lage omzet

Eind februari stuurt de Belastingdienst veel ondernemers die in de aangiften 2018 zelfstandigenaftrek hebben aangegeven, een brief over de voorwaarden van de zelfstandigenaftrek. Het gaat om brieven aan zzp’ers die in hun btw-aangiften over 2019 een jaaromzet van minder dan € 10.000 aangaven. Vanwege deze omzet is de kans groot dat zij niet voldoen aan de voorwaarden voor toepassing van de zelfstandigenaftrek. Wanneer dit het geval is mogen zij de zelfstandigenaftrek niet toepassen.

Goede voorbereiding

Het invullen van de belastingaangifte en het beoordelen van het recht op de aftrekposten vergen van ondernemers een goede voorbereiding en beoordeling. Hiervoor biedt de Belastingdienst de aangiftechecklist met zes checks, die helpen bij een soepele, goede en volledige aangifte.

De ketenbepaling onder de WAB: wanneer een vast contract?

De periode waarna opeenvolgende tijdelijke contracten overgaan in een vast contract (de ketenbepaling) is verruimd. Tot 1 januari 2020 was er de 3x2x6-regeling: 3 tijdelijke contracten in 2 jaar met een tussenpoos van maximaal 6 maanden. De nieuwe regel is 3x3x6. 

Een tijdelijk contract gaat onder de Wet arbeidsmarkt in balans sinds 1 januari 2020 automatisch over in een vast contract als een werknemer meer dan 3 opvolgende tijdelijke contracten heeft gekregen of als een werknemer langer dan 3 jaar meerdere tijdelijke contracten bij zijn werkgever heeft gehad. De pauze tussen contracten is maximaal 6 maanden. In de cao kunnen afwijkende regels staan.

3 opvolgende tijdelijke contracten

Een werknemer krijgt automatisch een vast contract als:

  • hij meer dan 3 tijdelijke contracten heeft gehad bij dezelfde werkgever, of;
  • hij meer dan 3 tijdelijke contracten heeft gehad voor hetzelfde soort werk bij opvolgende werkgevers, bijvoorbeeld als een werknemer eerst via een uitzendbureau werkt en daarna rechtstreeks bij de werkgever in dienst komt;
  • De pauze (tussenpoos) tussen contracten maximaal 6 maanden is. Voor tijdelijk terugkerend werk (niet beperkt tot seizoensarbeid) dat maximaal 9 maanden per jaar kan worden gedaan mag er maximaal 3 maanden tussen de contracten zitten. Dit moet wel in de cao staan;
  • het 3e contract van de werknemer eindigt op of na 1 januari 2020, en;
  • de cao bevat geen andere voorwaarden. De afspraken in de cao gaan voor.

Let op: voor een arbeidsovereenkomst die eindigt op of na 1 januari 2020 geldt de (nieuwe) ketenbepaling van drie jaar. Ook al is de arbeidsovereenkomst aangegaan vóór 1 januari 2020.

Na 3 jaar tijdelijke contracten

Een werknemer krijgt automatisch een vast contract als:

  • hij langer dan 3 jaar lang meerdere tijdelijke contracten heeft gekregen bij dezelfde werkgever. Of voor hetzelfde soort werk bij opvolgende werkgevers;
  • de tussenpoos maximaal 6 maanden is. Voor tijdelijk terugkerend werk (niet alleen seizoensarbeid) voor maximaal 9 maanden mag er maximaal 3 maanden tussen de contracten zitten. Dit moet in de cao staan;
  • in de cao geen andere voorwaarden hierover staan. De afspraken in de cao gaan voor.

Voor een arbeidsovereenkomst die eindigt op of na 1 januari 2020 geldt de (nieuwe) ketenbepaling van drie jaar. Ook al is de arbeidsovereenkomst aangegaan vóór 1 januari 2020.

Voorbeeld

Een werknemer had een jaarcontract van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018. Hij kreeg daarna een tweede contract voor dezelfde duur: van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019.

Op de peildatum 1 januari 2020 is de duur van twee jaar nog niet overschreden en ontstaat er nog geen recht op een vast contract. Op de arbeidsovereenkomst die wordt aangegaan op 1 januari 2020 is de ketenbepaling van 3 jaar van toepassing.

Opvolgend werkgeverschap

AIs sprake is van opvolgend werkgeverschap, dan zet de keten van arbeidsovereenkomsten zich voort en mogen die arbeidsovereenkomsten worden meegeteld.

Bij een bedrijfsovername kan het gaan om opvolgend werkgeverschap. Of als een werknemer eerst via een uitzendbureau en later rechtstreeks bij een werkgever in dienst komt. De werknemer krijgt dan een andere werkgever maar blijft dezelfde of gelijksoortige werkzaamheden verrichten.

Beroepsbegeleidende leerweg

Contracten die zijn aangegaan voor de beroepsbegeleidende leerweg (BBL) tellen niet mee voor de ketenbepaling. Het maakt hierbij niet uit wanneer het contract is aangegaan of geëindigd.

< 18 jaar ≤ 12 uur

De ketenbepaling is niet van toepassing op contracten met werknemers die jonger dan 18 jaar zijn en gemiddeld maximaal 12 uur per week werken.

Afwijkende regels in cao

In de cao kunnen afwijkende regels voor tijdelijke contracten staan.

Een cao mag in de volgende gevallen afwijken van de ketenbepaling:

  • Uitzendovereenkomst
    In de cao is te regelen dat het aantal van 3 contracten kan worden verhoogd naar maximaal 6. En de periode van 3 jaar kan worden verlengd tot ten hoogste 4 jaar.
  • Aard bedrijfsvoering
    Soms is een extra tijdelijk contract of het langer kunnen aangaan van tijdelijke contracten nodig door de aard van de bedrijfsvoering. Dan is in de cao te bepalen dat maximaal 6 (in plaats van 3) tijdelijke contracten kunnen worden aangegaan. En maximaal voor een periode van 4 (in plaats van 3) jaar van tijdelijke contracten gebruik kan worden gemaakt.
  • Ketenbepaling buiten toepassing
    Sommige sectoren, zoals het profvoetbal, werken alleen met tijdelijke contracten. Voor deze sectoren gelden andere regels voor het kunnen werken met tijdelijke en vaste contracten. De overheid bepaalt voor welke functies en sectoren dit geldt. De afwijkende regels worden vervolgens opgenomen in de betreffende cao’s.
    • Voor invalkrachten in het basisonderwijs die met een tijdelijk contract een zieke leerkracht vervangen geldt sinds 1 januari 2018 dat er geen vast contract ontstaat na meerdere tijdelijke contracten als de cao voor primair onderwijs (basisonderwijs) voor hen geldt.
      Lees meer in de Wijziging regeling ketenbepaling bijzondere functies.
    • Sinds 1 januari 2020 staat in de wet dat tijdelijke invalleerkrachten die en zieke leraar vervangen in het basisonderwijs en het speciaal onderwijs niet automatisch een vast contract krijgen na meerdere tijdelijke contracten. Dit hoeft dan niet meer in de cao te staan.

Raadpleeg de Regeling ketenbepaling bijzondere functies voor overige uitzonderingen.

  • Bestuursfuncties
    Bij een bestuursfunctie bij een bedrijf of organisatie kan in een schriftelijke overeenkomst (waaronder een cao) van de termijn van 3 jaar worden afgeweken.
  • Opleiding
    Als de arbeidsovereenkomst met name wordt gesloten om een werknemer op te leiden, dan kan bij cao de ketenbepaling geheel of gedeeltelijk niet van toepassing worden verklaard.
  • ‘Terugkerend  tijdelijk werk’
    Bij ‘terugkerend tijdelijk werk’ dat maximaal 9 maanden per jaar kan worden gedaan, kan bij cao de tussenperiode worden verkort tot 3 maanden. Dit is niet beperkt tot seizoensarbeid. In de cao moeten hierover wel afspraken zijn gemaakt.

Gebruikelijk loon dga stijgt in 2020

Het gebruikelijk loon voor de directeur-grootaandeelhouder (dga) is met ingang van 1 januari 2020 verhoogd naar € 46.000 per jaar. Dat wordt gemeld in de Bijstellingsregeling directe belastingen 2020 die op 30 december 2019 in de Staatscourant 66207 is gepubliceerd.

Advies aan kabinet: haal eigen woning uit box 1

De huidige eigenwoningregeling is onwerkbaar geworden. Dat stellen twee onderzoeksbureaus die in opdracht van het ministerie van Financiën de regels rondom woningfinanciering onder de loep hebben genomen. Afschaffen van de renteaftrek kan die complexiteit verminderen. Staatssecretaris Snel wil geen voorschot nemen op mogelijke wetswijzigingen: ‘Dat is aan een volgend kabinet’.

Financiën heeft de eigenwoningregeling op verzoek van de Kamer laten evalueren. Onderzoeksbureau SEO heeft gekeken naar de doelmatigheid, Panteia heeft zich over de complexiteit gebogen. Hypotheekrenteaftrek en eigenwoningforfait lijken bij te dragen aan eigenwoningbezit, zo luidt de voorzichtige conclusie van SEO. ‘Als ook de negatieve neveneffecten (hoge kosten, hogere huizenprijzen, lagere welvaart, meer schuldopbouw) worden beschouwd moet echter worden geconcludeerd dat de regeling ondoelmatig is. Van de maatregelen na 2001 zijn vooral de fiscale aflossingseis en de tariefmaatregel effectief en doelmatig in het beperken van deze neveneffecten.’ Doordat die maatregelen ongelijksoortig zijn, is de complexiteit de laatste jaren wel toegenomen.

Defiscaliseren

Deskundigen geven het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek of het verhuizen van de eigen woning naar box 3 als opties. ‘Defiscaliseren draagt bij aan het beperken van prikkels voor schuldopbouw en vermindert de verstoring van de woonbeslissing doordat de (expliciete) fiscale tegemoetkoming wordt afgebouwd naar nul. Defiscalisering zou bovendien de complexiteit, zowel voor de Belastingdienst als voor de huishoudens en hypotheekverstrekkers, zeer sterk reduceren’, aldus Snel in de brief waarmee hij de onderzoeken aan de Tweede Kamer stuurt. Het alternatief van verplaatsen naar box 3 – woning als vermogen in plaats van inkomstenbron – heeft als voordeel dat de eigen woning fiscaal neutraal behandeld wordt. ‘Verschillende vermogenscomponenten worden dan fiscaal gelijk behandeld, waardoor ook verschillen tussen de koop- en de (commerciële) huurmarkt verdwijnen.’

Veel informatie nodig

Panteia wijst op toenemende complexiteit door samenloop van deelregelingen bij bepaalde levensgebeurtenissen. Dat vereist veel informatie over het eigenwoningverleden. ‘Op basis van de geconstateerde knelpunten en de daarmee samenhangende gevolgen voor een juiste toepassing van de eigenwoningregeling komen wij tot de conclusie dat de huidige eigenwoningregeling te complex is, waardoor een juiste toepassing in sterke mate belemmerd wordt. Daarmee is de huidige eigenwoningregeling niet goed houdbaar, controleerbaar, uitvoerbaar en handhaafbaar.’ Ook Panteia noemt defiscaliseren en box 3 als opties voor de eigen woning, naast de introductie van een aparte box 4.

Keuzes doorschuiven

Snel erkent dat de eigenwoningregeling complex is geworden, maar wil nog geen uitspraken doen over een exit van de eigen woning uit box 1: ‘Er zijn verschillende scenario’s denkbaar om de huidige complexiteit van de eigenwoningregeling te verminderen. Dat kan binnen de huidige behandeling van de eigen woning in box 1, het zou eventueel ook denkbaar zijn via een route die SEO en Panteia noemen als de verdergaande scenario’s van defiscalisering of het overbrengen naar box 3.’ Stappen daartoe zijn keuzes die een volgend kabinet moet maken, aldus de staatssecretaris.

Chocoladeletter verstrekken en de werkkostenregeling

Wat betekent het voor de werkkostenregeling als de werkgever zijn werknemers met Sinterklaas een chocoladeletter geeft? Er zijn twee mogelijkheden:

  1. De werknemer eet de chocoladeletter op de werkplek. Dan is sprake van een consumptie op de werkplek.
  2. De chocoladeletter valt onder de kleine geschenkenregeling van de Belastingdienst.

In beide gevallen heeft de werkgever geen aanvullende kosten.

Consumptie op de werkplek

Als de werkgever de chocoladeletter op de werkplek geeft om meteen op te eten, dan kan dit belastingvrij. De Belastingdienst ziet dit als een consumptie op de werkplek en daarvoor geldt een nihilwaardering.

Kleine geschenkenregeling

De Belastingdienst gaat er vanuit dat kleine geschenken geen loon vormen als de werkgever de werknemer een persoonlijke attentie geeft in situaties waarin ook anderen dan de werkgever zo’n attentie geven.

Voorwaarde bij deze goedkeuring is dat de werkgever geen geld of een waardebon geeft en dat de factuurwaarde inclusief btw van de attentie niet hoger is dan € 25.

Een chocoladeletter is dan ook aan te merken als een klein geschenk.

Sinterklaasfeest

Bij de organisatie van een Sinterklaasfeest voor de kinderen van de werkgever zijn er twee mogelijkheden:

  1. De werkgever organiseert het feest op de werkplek, bijvoorbeeld in de kantine. Het feest is een niet-ongebruikelijke voorziening. De consumpties waardeer je op nihil. Dit geldt ook voor werknemers van andere vestigingen, locaties of kantoren en voor werknemers van andere werkgevers, met wie je de concernregeling toepast.
  2. De werkgever organiseert het feest extern bij een derde. De waarde van het feest zijn loon voor de werknemer. Je kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.

Cadeaus voor niet-werknemers

Cadeaus (klein dan wel groot) voor niet-werknemers, zoals kinderen van de werknemers, worden als loon aangemerkt. De meeste werkgevers wijzen deze kosten dan aan als eindheffingsbestanddeel. De kosten komen ten laste van de vrije ruimte. Over het bedrag boven de vrije ruimte betaalt de werkgever 80% eindheffing.

Kabinet gaat breed gesprek voeren over kwalificatie zzp

Voor welke opdracht mag een bedrijf een zzp’er inhuren en wanneer is iemand eigenlijk een werknemer? Het kabinet gaat over die vragen de komende maanden in gesprek met werkgevers, werknemers, zzp’ers en betrokken organisaties. Dit brede gesprek moet het onderscheid helder maken. Ook moet hieruit duidelijk worden wat de maatschappelijke opvattingen zijn.

Dat kondigen minister Koolmees van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, staatssecretaris Snel van Financiën en staatssecretaris Keijzer van Economische Zaken en Klimaat aan in de vierde voortgangsbrief Werken als zelfstandige die aan de Tweede Kamer is gezonden.

Gesprek over kwalificatie van de arbeidsrelatie

Het kabinet vindt het in deze fase verstandig om een breed gesprek te voeren over de kwalificatie van de arbeidsrelatie. Minister Koolmees: “De onderliggende vraag is: voor welke opdracht vinden we nu dat je een zzp’er kunt vragen? Deze discussie is eigenlijk nooit echt goed gevoerd. Er is altijd in techniek over gesproken (VAR/DBA), of in emotie. En met het uitgangspunt dat alle zzp’ers hetzelfde zijn. Maar de zzp’er bestaat niet. We gaan als kabinet daarom een breed gesprek voeren. Over de wetgeving en jurisprudentie en hoe dat uitpakt en met oog voor de veranderende samenleving.’’ Dit zal niet betekenen dat er altijd een voor iedereen wenselijke uitkomst komt, waarschuwt Koolmees. “We werken aan de nieuwe wet- en regelgeving omdat we ook echt zorgelijke trends zien, zoals de onbedoelde concurrentie tussen werknemers en zzp’ers, tussen MKB en zzp en zzp’ers onderling. We kunnen niet stilzitten.’’

Webmodule

Het kabinet is bezig met nieuwe wet- en regelgeving rond het werken als zelfstandige. Een van de maatregelen is de ontwikkeling van een webmodule als extra, vrijwillig hulpmiddel in het verduidelijken van de regelgeving. Bedrijven die voor een opdracht een zzp’er willen inhuren kunnen deze webmodule straks vooraf invullen. Als uit de beantwoording van de vragen blijkt dat een zzp’er de opdracht mag doen (er buiten dienstbetrekking mag worden gewerkt), krijgt een opdrachtgever een opdrachtgeversverklaring. Deze geeft vooraf zekerheid dat er geen naheffingen komen van de loonbelasting en de werknemersverzekeringen, mits de webmodule naar waarheid is ingevuld.

Ontwikkeling vergevorderd

De ontwikkeling van de webmodule is inmiddels vergevorderd, melden de bewindslieden. De afgelopen periode is er een conceptvragenlijst ontwikkeld. Hiervoor is onder meer door een werkgroep gekeken naar jurisprudentie en (inter)nationaal vergelijkbare vragenlijsten. De conceptvragenlijst is besproken met organisaties van werkgevers, werknemers en zzp’ers. Ook is de conceptvragenlijst voorgelegd aan 50.000 opdrachtgevers om te achterhalen hoe er in de praktijk wordt gewerkt. Dit heeft geleid tot een databestand van praktijkcasussen. Ten slotte hebben experts aan de hand van de ingevulde vragenlijsten de eerste resultaten beoordeeld.

Aanpassingen nodig

Uit deze eerste ronde blijkt dat de webmodule nog moet worden aangepast, melden Koolmees, Snel en Keijzer. Niet alle vragen worden even goed begrepen. Ook wordt nog bekeken of een kortere vragenlijst mogelijk is. Er komt daarom nog een tweede testfase waarbij de vragen opnieuw naar toekomstige gebruikers worden gestuurd.

Voorlopig beeld testfase

Uit de testfase komt wel een voorlopig beeld van de te verwachten uitkomsten over de werking van de webmodule naar voren. In een substantieel aantal gevallen is het mogelijk vast te stellen dat een opdracht door een zzp’er mag worden uitgevoerd. Maar op basis van de eerste beoordeling blijkt ook dat in een groter aantal gevallen de omstandigheden wijzen op een dienstbetrekking. Bijvoorbeeld omdat de zzp’er op vrijwel dezelfde manier werkt als de werknemers. In een deel van de gevallen kan de webmodule geen uitsluitsel geven. Bijvoorbeeld omdat de vragenlijst geen rekening houdt met kenmerken die per sector weer anders zijn. Dit hoeft geen probleem te zijn, stellen de bewindslieden. Opdrachtgevers kunnen op andere manieren de arbeidsrelatie helder krijgen. Bijvoorbeeld door met de belastingdienst te overleggen of de manier van werken aan te passen.

Planning

In het eerste kwartaal van 2020 wil het kabinet de definitieve vragenlijst, de weging van de vragenlijst en de uitkomsten van de testfase naar de Tweede Kamer sturen. Naast de webmodule komt er ook andere wet- en regelgeving. Zo komt er voor zzp’ers een minimumtarief van 16 euro per uur. En kunnen zzp’ers die meer dan 75 euro per uur verdienen straks voor maximaal een jaar een zelfstandigenverklaring opstellen in overleg met de opdrachtgever. Het wetsvoorstel met beide maatregelen is momenteel in internetconsultatie.

Loonheffingen 2020: de fiets van de zaak

Voor de fiets van de zaak komt net als voor het privégebruik van de auto van de zaak een forfaitaire bijtelling voor het privégebruik. Werknemers die een fiets van de zaak privé mogen gebruiken, bijvoorbeeld voor het doen van boodschappen of het ophalen van de kinderen, of voor het woon-werkverkeer krijgen vanaf 1 januari 2020 te maken met de bijtelling. Dat betekent dat 7% van de waarde van de adviesprijs van de fiets bij het inkomen wordt bijgeteld.

Als de werkgever een (elektrische) fiets ter beschikking stelt aan de werknemer voor woon-werkverkeer dan wordt de fiets in ieder geval geacht ook ter beschikking te zijn gesteld voor privégebruik.

Anders dan bij leaseauto

De werkgever moet voor dit privégebruik jaarlijks een bedrag bij het loon tellen. Anders dan bij de auto van de zaak is er geen mogelijkheid om tegenbewijs te leveren bij gering privégebruik en is de bijtelling niet uitgezonderd als eindheffingsbestanddeel.

Waarde privégebruik

De waarde van dit privégebruik wordt met ingang van 1 januari 2020 gesteld op 7% van de waarde (inclusief omzetbelasting) van de (elektrische) fiets voor elk jaar dat de fiets aan de werknemer ter beschikking staat.

Consumentenadviesprijs

De waarde van de fiets is de in Nederland door de fabrikant of importeur publiekelijk kenbaar gemaakte consumentenadviesprijs. RAI-vereniging zet hiervoor een database op.

Als de oorspronkelijke consumentenadviesprijs niet te achterhalen is, dan moet je uitgaan van de consumentenadviesprijs (inclusief omzetbelasting) van de meest vergelijkbare fiets.

Loon in natura

De bijtelling is loon in natura. Je moet daarover loonbelasting/premie volksverzekeringen inhouden en premies werknemersverzekeringen betalen, en de werkgeversheffing Zvw betalen of de bijdrage Zvw inhouden. Je kunt dit loon ook als eindheffingsloon aanwijzen.

BTW-nieuws voor belastingplichtigen met zonnepanelen

De BTW-wetgeving met betrekking tot zonnepanelen blijft veranderlijk. Dit blijkt ook weer uit de set vragen en antwoorden over BTW-heffing bij particulieren, die het ministerie van Financiën op 5 september jl. heeft geactualiseerd.Ten opzichte van de vorige versie (4 april 2018) is verduidelijkt dat zonnepanelen niet tot méér BTW-aftrek op de bouwkosten van woningen zouden leiden. Wel blijkt uit recente jurisprudentie dat zonnepanelen ook financieel interessant zijn voor niet-aftrekgerechtigde instellingen, zoals onderwijsinstellingen.

De set vragen en antwoorden van 5 september over BTW-heffing bij ‘particulieren’ met zonnepanelen heeft een opvallende extra passage gekregen ten opzichte van de versie van 4 april 2018:

“Bij een verzoek om teruggaaf van de aanschaf-BTW, dient u in dezelfde aangifte de verschuldigde BTW over de opgewekte stroom aan te geven (zie ook vraag 8). De BTW op andere kosten dan die van aanschaf en installatie van de zonnepanelen houdt naar de mening van de Belastingdienst geen verband met de BTW-belaste leveringen aan het energiebedrijf en is in dat kader niet aftrekbaar.”

Deze passage zal zijn opgenomen naar aanleiding van het argument dat een deel van de BTW op de bouwkosten van woningen aftrekbaar is door de zonnepanelen.

Zonnepanelen geven dak extra zakelijke functie

Hof Arnhem-Leeuwarden heeft geoordeeld dat een deel van het dak een extra zakelijke functie heeft verkregen door de bevestiging van zonnepanelen en ook wordt gebruikt voor de ondersteuning van de zonnepanelen (uitspraak van 28 november 2017, nr. 16/01522). Het zakelijke gebruik van de woning is dus toegenomen, waardoor het privégebruik van de woning is verminderd. De Hoge Raad heeft de cassatiemiddelen naar aanleiding van de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden afgedaan met toepassing van artikel 81, lid 1, Wet RO en heeft de uitspraak van het hof daarmee in stand gelaten (arrest van 27 september 2019, nr. 18/00087).

De uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden had betrekking op wetgeving, die gold voor 1 januari 2011. Op basis van deze wetgeving bestond volledig recht op aftrek van BTW op de aanschafkosten van zonnepanelen, doordat het privégebruik van de woning werd gecorrigeerd aan de heffingskant. Dat wil zeggen dat belastingplichtigen BTW waren verschuldigd voor het privégebruik van hun woningen met zonnepanelen.

Niet méér BTW-aftrek op bouwkosten woningen door zonnepanelen

In een latere uitspraak van 7 mei 2019, nr. 18/00445, oordeelde Hof Arnhem-Leeuwarden over een tijdvak waarop vanaf 1 januari 2011 geldende wetgeving van toepassing is. Vanaf die datum wordt privégebruik van onroerende zaken gecorrigeerd aan de aftrekkant en niet meer aan de heffingskant. Hierdoor is de BTW op bouwkosten die toe te rekenen zijn aan het privégebruik van de woning meteen niet meer aftrekbaar. Als gevolg daarvan is dan ook geen BTW meer verschuldigd in verband met dit privégebruik.

In deze zaak is Hof Arnhem-Leeuwarden van oordeel dat er geen recht op aftrek van BTW bestaat, omdat een rechtstreeks en onmiddellijk verband zou ontbreken tussen de energielevering via de zonnepanelen en de aanschaf van het perceel en de bouw van de woning. Het hof lijkt daarvoor erg veel waarde te hechten aan het volgende aspect. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat de bouwkosten van de woning op enigerlei wijze rechtstreeks of als algemene kosten zijn verdisconteerd in de prijs die de energiemaatschappij betaalt voor de levering van elektriciteit. Op basis van jurisprudentie van het Hof van Justitie kan echter goed worden verdedigd dat door de zonnepanelen in ieder geval een deel van de BTW aftrekbaar is op de eventuele aanschafkosten van de grond en de bouwkosten van de woning. Tegen de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2019 is beroep in cassatie ingesteld.

Wat te doen in de praktijk?

Heeft het arrest van de Hoge Raad van 27 september 2019 nu ook betekenis voor de laatstgenoemde uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2019? Er zijn aanknopingspunten te vinden voor een ‘ja’ als antwoord op deze vraag. De ervaring leert inmiddels echter dat de Belastingdienst het arrest van de Hoge Raad niet van toepassing acht op situaties waarop de wetgeving vanaf 1 januari 2011 van kracht is. Het blijft voor belastingplichtigen die woningen met zonnepanelen laten realiseren dan ook zaak om tijdig bezwaar te maken en – indien nodig – beroep in te stellen tot de Hoge Raad arrest heeft gewezen in de zaak waarop de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 7 mei 2019 betrekking heeft.

Andersoortig BTW-belast gebruik en BTW-aftrek bouwkosten

Niet alleen zonnepanelen kunnen leiden tot aftrek van BTW op de bouwkosten van woningen, maar ook andersoortig BTW-belast gebruik. Denk bijvoorbeeld aan het BTW-belast gebruik van een werkkamer of een garage. Het is voor belastingplichtigen die een nieuwe woning laten realiseren zeer interessant om te laten uitrekenen hoeveel BTW er kan worden bespaard!

Zonnepanelen financieel interessant voor niet-aftrekgerechtigde instellingen

Zonnepanelen bieden niet alleen BTW-kansen voor particulieren, maar ook voor niet-aftrekgerechtigde instellingen, zoals onderwijsinstellingen. Zo blijkt uit een uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 3 september 2019. Daaruit volgt dat een onderwijsinstelling in het primair onderwijs de BTW op de aanschafkosten van zonnepanelen (€ 24.908) voor 70% (€ 17.436) in aftrek mocht brengen, terwijl zij per kwartaal slechts € 164 aan BTW is verschuldigd en daarmee € 656 per jaar. Dat betekent dat de in aftrek gebrachte BTW pas na ruim 26,5 jaar is terugbetaald via de jaarlijks verschuldigde BTW (afgezien van het financieringsvoordeel door de gespreide terugbetaling van de aftrekbare BTW). En dan is mogelijk een deel van de BTW op de kosten in verband met de nieuwbouw van een schoolgebouw ook nog eens aftrekbaar, waardoor het BTW-voordeel nog verder kan oplopen. Andere niet-aftrekgerechtigde instellingen waarvoor zonnepanelen BTW-kansen bieden, zijn bijvoorbeeld: zorginstellingen, woningcorporaties en stichtingen en verenigingen die (vrijwel) geen recht op aftrek van BTW hebben.

Vragen en antwoorden vanwege arrest HR geschrapt

Binnen de set vragen en antwoorden zijn ook enkele vragen en antwoorden geschrapt naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 15 december 2017, nr. 15/05937. Uit dit arrest volgde dat particulieren die zonnepanelen hadden aangeschaft en nog niet als ondernemer waren geregistreerd, zich alsnog konden aanmelden bij de Belastingdienst en om uitreiking van een BTW-aangifte konden verzoeken. Daarbij was het niet relevant wanneer de zonnepanelen met BTW waren aangeschaft.

Aanmelden als BTW-ondernemer

De wetgever heeft per 1 januari 2019 artikel 3 van de Uitvoeringsregeling Awr aangepast. Particulieren moeten zich vanaf die datum – binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar waarin zij de zonnepanelen met BTW hebben aangeschaft – aanmelden als BTW-ondernemer bij de Belastingdienst. Daarbij moeten zij verzoeken om uitreiking van een aangifte. De inspecteur reikt dan een BTW-aangifte uit voor het tijdvak van aanschaf van de zonnepanelen. De inspecteur beslist op het verzoek om teruggaaf bij een voor bezwaar vatbare beschikking. Belastingplichtigen hebben hiermee hun rechten veiliggesteld om bezwaar te maken en indien nodig beroep in te dienen. Een later ingediend verzoek wordt als verzoek om ambtshalve teruggaaf in behandeling genomen, waartegen geen bezwaar en beroep openstaat. Door de wetswijziging zijn de vragen over de gevolgen van het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 15 december 2017 achterhaald en daarom verwijderd uit de set vragen en antwoorden over BTW-heffing bij ‘particulieren’ met zonnepanelen van 5 september 2019.

Verlaging zelfstandigenaftrek valt ongunstig uit voor goedverdienende ondernemers

De verlaging van de zelfstandigenaftrek die het kabinet in het Belastingplan 2020 voorstelt pakt voor ondernemers met een inkomen boven de 100.000 euro per saldo ongunstig uit. Dat antwoord staatssecretaris Snel van Financiën op vragen van de VVD over de inkomenseffecten van de maatregel in de nota naar aanleiding van het verslag Belastingplan 2020.

Ten opzichte van 2019 gaan de meeste zelfstandigen er in 2020 op vooruit, rekent Snel voor. ‘Zelfstandigen met een inkomen tot ongeveer € 26.000 betalen zowel in 2019 als in 2020 geen inkomstenbelasting. De meeste zelfstandigen met een inkomen boven € 26.000 profiteren van de verhogingen van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Deze verhogingen compenseren de verlaging van de zelfstandigenaftrek voor de meeste zelfstandigen ruimschoots’, verduidelijkt Snel. ‘Zelfstandigen met een winst rond de € 100.000 gaan meer inkomstenbelasting betalen in 2020. Zij hebben geen recht meer op arbeidskorting en ondervinden nadeel van de tariefmaatregel uit het Belastingplan 2019. Voor zelfstandigen met een winst rond de € 150.000 wordt het effect van de tariefmaatregel dan weer ruimschoots gecompenseerd door de verlaging van het toptarief in 2020.’

‘In 2021 en 2022 gaan zelfstandigen met een winst tot grofweg € 100.000 er in de meeste gevallen nog steeds op vooruit’, gaat Snel verder. ‘In 2021 en 2022 profiteren zij nog van extra verhogingen van de arbeidskorting en de algemene heffingskorting. Zelfstandigen met een winst boven de € 100.000 gaan er na 2020 wel op achteruit als gevolg van de tariefmaatregel voor bepaalde aftrekposten. Na 2022 gaan alle zelfstandigen er jaar-op-jaar op achteruit, omdat de zelfstandigenaftrek dan elk jaar met € 250 omlaag gaat. Afgezet tegen 2019 zullen de meeste zelfstandigen echter nog steeds een vooruitgang ervaren, omdat zij in de jaren 2020-2022 door de verhoging van de arbeidskorting en algemene heffingskorting meer dan gecompenseerd worden voor de verlaging van de zelfstandigenaftrek in die jaren.’