Verzet grondeigenaren tegen aanpassing box 3

Particuliere grondeigenaren zijn niet te spreken over het kabinetsplan om de box 3-heffing vanaf 2022 grondig te herzien. Verpachters en eigenaren van landgoederen moeten straks als gevolg daarvan geld toeleggen op hun grond, stelt de Federatie Particulier Grondbezit (FPG).

Rendement niet te behalen

Voor beleggingen wordt het forfaitair rendement 5,33% en dat is onmogelijk te behalen op grond die langjarig en strikt gereguleerd is verpacht, zegt FPG-voorzitter Roel Robbertsen in het FD. Dat geldt vooral voor eigenaren van landgoederen die zich onder de Natuurschoonwet (NSW) hebben verplicht de natuur en de cultuurhistorische waarde van hun bezit te beheren en te behouden.

Exploitatie in het gedrang

Als pachtopbrengst van landbouwgrond en verhuur van opstallen weg worden belast komt de exploitatie ernstig in het gedrang en zullen landgoederen verdwijnen, waarschuwen de grondeigenaren. Robbertsen: ‘Wij stellen voor het fictieve rendement gelijk te trekken met de 0,09% voor spaargeld. Gebouwen op landgoederen die niet het woonhuis zijn, zouden geheel vrijgesteld moeten worden. Het kan toch niet zo zijn dat spaarders profiteren en beheerders van ons cultureel erfgoed en ons landschap kind van de rekening worden.’

Belastingdienst start met nieuw btw-identificatienummer

Belastingdienst start met nieuw btw-identificatienummer

FI 

Donderdag 10 oktober ontvangt de eerste groep mensen met een eenmanszaak van de Belastingdienst een nieuw btw-identificatienummer, het btw-id. In totaal ontvangen deze maand circa 1.3 miljoen ondernemers dit nieuwe btw-id.

In het nieuwe btw-id is het BSN van de ondernemer niet langer verwerkt. Zo wordt de privacy van de ondernemer beter gewaarborgd. Het nieuwe btw-id is geldig vanaf 1 januari 2020. De Belastingdienst verzendt de brieven deze maand al, zodat een ondernemer nu al voorbereidingen kan treffen, zoals het aanpassen van briefpapier en het informeren van de boekhouder.

Het btw-id is een persoonlijk, uniek nummer dat bestaat uit een reeks van 14 tekens. Vanaf 1 januari 2020 moeten ondernemers het btw-id op facturen en hun website vermelden om zich te identificeren als btw-plichtig ondernemer. Daarmee voldoen zij aan de wettelijke eisen. Voor handel binnen de EU is het belangrijk dat mensen met een eenmanszaak hun btw-id tijdig doorgeven aan hun leveranciers.

Ondernemers houden hun huidige btw-nummer voor communicatie met de Belastingdienst en voor de btw-aangifte.

Nieuwe regelgeving voor zzp’ers: minimumtarief en zelfstandigenverklaring

De nieuwe regelgeving voor zzp’ers wordt naar verwachting eind deze maand afgerond. Er komt onder meer een minimumtarief van € 16 en een zelfstandigenverklaring.

Na de bekendmaking van het wetsvoorstel komt er een internetconsultatie, waarbij verschillende partijen, zoals vakbonden, werkgevers- en brancheorganisaties en zzp-organisaties hun inbreng kunnen geven.

Met betrekking tot de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zpp’ers wacht het kabinet nog op de bevindingen van de commissie Borstlap en de voorstellen van de sociale partners en zzp-organisaties. De definitieve wetsvoorstellen worden in principe voor de zomer van 2020 aangeboden.

Het minimumtarief van € 16 moet armoede, schijnzelfstandigheid en concurrentie op arbeidsvoorwaarden voorkomen. Het tarief is afgeleid van het sociaal minimum en moet een gelijk speelveld creëren op de arbeidsmarkt. Naleving van het minimumtarief kan worden afgedwongen bij de civiele rechter.

Minister Koolmees benadrukt in de Telegraaf dat de verschillen tussen de grote groep zzp’ers van in totaal 1,4 miljoen groot zijn. Tot de groep behoren alle zpp’ers, van maaltijdbezorgers tot dure ICT’ers. Dat maakt wetgeving ingewikkeld.

De Belastingdienst controleert met ingang van oktober al strenger op schijnzelfstandigheid middels verscherpt toezicht. Er wordt gehandhaafd bij bedrijven en opdrachtgevers die kwaadwillend zijn of aanwijzingen van de Belastingdienst niet opvolgen.

Belastingdienst start verscherpt toezicht Wet DBA

De Belastingdienst gaat vanaf 1 januari 2020 meer handhaven bij opdrachtgevers. In oktober 2019 start de fiscus al met dit verscherpte toezicht.  

Meer handhaven bij opdrachtgevers betekent dat de Belastingdienst correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen kan opleggen, eventueel met een boete. Voor de Belastingdienst gaat handhaven, voert de fiscus altijd toezicht uit. Dit kan bijvoorbeeld bestaan uit een bedrijfsbezoek of boekenonderzoek.

De Belastingdienst handhaaft alleen als de fiscus de opdrachtgever als kwaadwillend ziet of als de opdrachtgever de door de fiscus gegeven aanwijzingen niet opvolgt.

Kwaadwillend

Een opdrachtgever is kwaadwillend als deze ‘opzettelijk een situatie van evidente schijnzelfstandigheid laat ontstaan of voortbestaan omdat hij weet – of had kunnen weten – dat er feitelijk sprake is van een dienstbetrekking‘.

De Belastingdienst kan de opdrachtgever dan correctieverplichtingen of naheffingsaanslagen opleggen.

De fiscus moet dan bewijzen dat sprake is van drie zaken:

  • (fictieve) dienstbetrekking
  • evidente schijnzelfstandigheid
  • opzettelijke schijnzelfstandigheid

Deze zaken zorgen meestal voor een oneigenlijk voordeel of tasten het speelveld op een oneerlijke manier aan.

De Belastingdienst houdt toezicht door controles uit te voeren (meestal controles loonheffingen). Als de fiscus de opdrachtgever als kwaadwillend beschouwt, kan de fiscus ook voor 1 januari 2020 al handhaven.

Aanwijzingen

Als bij een controle blijkt dat sprake is van een (fictieve) dienstbetrekking, maar het niet gaat om kwaadwillendheid, dan handhaaft de Belastingdienst nog niet, maar geeft de dienst wel aanwijzingen. De opdrachtgever moet dan met de aanwijzingen aan de slag gaan om:

  • de arbeidsrelatie zo vorm te geven dat er sprake is van werken buiten dienstbetrekking, of
  • de arbeidsrelatie als dienstbetrekking te verwerken in de aangifte

Hiervoor krijgt de opdrachtgever meestal drie maanden de tijd. Als de fiscus na die termijn vaststelt dat de opdrachtgever de aanwijzingen niet of niet voldoende hebt opgevolgd en het betreft nog steeds een (fictieve) dienstbetrekking, dan kan de fiscus handhaven.

Vervanging Wet DBA

Is geen sprake van een van deze twee situaties, dan wordt de handhaving uitgesteld tot 1 januari 2021. Het kabinet wil op deze datum nieuwe wet- en regelgeving invoeren die de Wet Deregulering beoordeling arbeidsrelaties vervangt.

Let dus op, de Belastingdienst start in oktober 2019 al met het verscherpte toezicht. 
Vanaf 1 oktober kan de fiscus al aanwijzingen geven. Als de opdrachtgever die aanwijzingen niet opvolgt, kan de Belastingdienst vanaf 1 januari 2020 handhaven.

MKB-Nederland pleit voor fiscale ‘Tante Agaath-regeling’

MKB-Nederland vraagt van het kabinet een nieuw soort ‘Tante Agaath-regeling’, de afgeschafte regeling die het lenen van startkapitaal fiscaal aantrekkelijk maakte. Dat presenteerde voorzitter Jacco Vonhof in de Ondernemersagenda.

De voorzitter van MKB-Nederland bood de ondernemersagenda op dinsdag 1 oktober aan minister-president Mark Rutte aan. De ondernemersorganisatie wil verder dat de transitievergoeding zodanig wordt omgebouwd dat de regeling ook wordt ingezet waarvoor die oorspronkelijk bedoeld was. Ook moet het kabinet ondernemersregelingen verbeteren om bijvoorbeeld groei te stimuleren. Het moet afgelopen zijn met het ondoordacht snoeien in ondernemersregelingen zoals de zelfstandigenaftrek.

MKB-Nederland geeft aan met haar ondernemersagenda mede richting te willen geven aan het ondernemersbeleid in ons land. ‘We missen integraal ondernemersbeleid vanuit het kabinet. Het beleid zwalkt te vaak van links naar rechts. Dan wordt de winstbelasting verlaagd, dan weer niet. Te vaak ook, is het doel onrealistisch, wordt het tegenovergestelde bereikt of raakt het onbedoeld grote groepen MKB-ondernemers. Dat moet echt anders. Een betrouwbare overheid, dáár hebben ondernemers wat aan.’

Belastingplan 2020: vpb niet, zelfstandigenaftrek wel omlaag

De verlaging van de winstbelasting voor ondernemingen wordt een jaar uitgesteld, meldt het FD op basis van Haagse bronnen. Tegelijk gaat de zelfstandigenaftrek in stappen met € 2.000 omlaag.

Met het uitstellen van de lagere winstbelasting doet het bedrijfsleven € 1 mld in het zakje bij de lastenverlichting van ongeveer € 3 mld voor middeninkomens, zo heeft het kabinet afgesproken. De vpb gaat bovendien in 2021 minder omlaag dan eerder was overeengekomen.

Het plan was een verlaging in de tweede schijf, vanaf € 200.000 winst, van 25% naar 22,55% in 2020. In 2021 zou dit tarief verder dalen naar 20,5%. Nu zou het tarief volgend jaar gelijk blijven en in 2021 uitkomen op 21,7%. Het tarief in de eerste schijf gaat volgend jaar wel volgens plan van 19% naar 16,5%.

Zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek – volgens vakbonden een oneerlijk concurrentievoordeel – zou omlaag gaan van maximaal € 7.280 naar € 5000. Daarvoor neemt het kabinet dan wel tien jaar de tijd.

De belastingplannen worden een dezer dagen naar de Raad van State gestuurd.

Bron: FD

Kabinet wil box 3-heffing vanaf 2022 fors aanpassen

Ongeveer 1,35 miljoen mensen betalen straks geen belasting meer over hun spaargeld in box 3. Nu betalen nog 2,9 miljoen mensen deze belasting. Volgens voorlopige berekeningen wordt de eerste 440.000 euro voor mensen met alleen spaargeld belastingvrij.

Bovendien gaan bijna een half miljoen mensen minder belasting betalen dan dat zij nu doen. Dit staat in een voorstel dat staatssecretaris Snel van Financiën aan de Tweede Kamer heeft gestuurd. Doel is dat deze hervorming vanaf 1 januari 2022 in gaat.

Staatssecretaris Snel: “Veel spaarders in Nederland vinden het nu onrechtvaardig dat zij belasting betalen. Dit begrijp ik, want op dit moment worden zij belast alsof een deel van het vermogen dat ze hebben uit beleggingen bestaat, ook als zij alleen spaargeld hebben. Daardoor moeten zij meer belasting betalen dan wanneer je afzonderlijk naar hun spaargeld zou kijken. Met dit voorstel gaan straks circa 1,35 miljoen spaarders helemaal geen box 3-belasting meer betalen. Dit wordt misschien wel de grootste wijziging in de inkomstenbelasting sinds 2001.”

Werkelijke hoeveelheid spaargeld

Iedereen die meer vermogen heeft dan 30.360 euro (of 60.720 euro met fiscaal partner) uit bijvoorbeeld spaargeld of aandelen, betaalt hier nu belasting over. Op dit moment wordt er vanuit gegaan dat het vermogen waarover belasting betaald wordt voor een bepaald deel uit beleggingen bestaat, ook als dat niet het geval is en het vermogen volledig uit spaargeld bestaat. In het voorstel wordt straks voor het eerst gerekend met de werkelijke verhouding tussen spaargeld, beleggingen en schulden van de belastingplichtige. Dit betekent dat de belasting over spaargeld wordt vastgesteld aan de hand van de werkelijke hoeveelheid spaargeld. Over deze werkelijke hoeveelheid spaargeld wordt dan een vooraf vastgestelde rente berekend, die zoveel mogelijk aansluit bij de werkelijke spaarrente en daardoor ook vele malen lager is dan dat op beleggingen. Dit zou op dit moment bijvoorbeeld maar 0,09% zijn. Hierdoor gaan circa 1,35 miljoen mensen straks helemaal geen belasting meer betalen. Het voorstel is daarnaast zo vormgegeven dat de kleine beleggers (onder de 30.000 euro) die nu geen belasting betalen dat straks ook niet hoeven. Voor degenen die wel belasting blijven betalen wordt het tarief circa 33%.

Het nieuwe stelsel is zo ontworpen dat de voordelen van het huidige systeem behouden blijven, zoals de vooraf ingevulde aangifte. Het nieuwe systeem is wel gevoeliger voor belastingontwijking. Er worden dan ook maatregelen genomen om dit tegen te gaan, de zogenaamde anti-arbitragemaatregelen.

De komende tijd wordt het voorstel uitgewerkt in een wetsvoorstel, dat voor de zomer van 2020 aan de Tweede Kamer wordt gestuurd. Daarbij zal ook in kaart worden gebracht wat de effecten zijn voor specifieke groepen. Het wetsvoorstel kan dan voor het einde van 2020 in de Tweede en Eerste Kamer worden behandeld. De Belastingdienst moet vervolgens voldoende tijd hebben om deze grote structuurwijziging door te voeren, waarbij het streven is dat het nieuwe systeem vanaf 1 januari 2022 in gaat.

Belastingplan 2020: vpb niet, zelfstandigenaftrek wel omlaag

De verlaging van de winstbelasting voor ondernemingen wordt een jaar uitgesteld, meldt het FD op basis van Haagse bronnen. Tegelijk gaat de zelfstandigenaftrek in stappen met € 2.000 omlaag.

Met het uitstellen van de lagere winstbelasting doet het bedrijfsleven € 1 mld in het zakje bij de lastenverlichting van ongeveer € 3 mld voor middeninkomens, zo heeft het kabinet afgesproken. De vpb gaat bovendien in 2021 minder omlaag dan eerder was overeengekomen. Het plan was een verlaging in de tweede schijf, vanaf € 200.000 winst, van 25% naar 22,55% in 2020. In 2021 zou dit tarief verder dalen naar 20,5%. Nu zou het tarief volgend jaar gelijk blijven en in 2021 uitkomen op 21,7%. Het tarief in de eerste schijf gaat volgend jaar wel volgens plan van 19% naar 16,5%.

Zelfstandigenaftrek

De zelfstandigenaftrek – volgens vakbonden een oneerlijk concurrentievoordeel – zou omlaag gaan van maximaal € 7.280 naar € 5000. Daarvoor neemt het kabinet dan wel tien jaar de tijd.

De belastingplannen worden een dezer dagen naar de Raad van State gestuurd.

Menzis moet slapend dienstverband beëindigen en transitievergoeding uitbetalen

De kantonrechter veroordeelt Menzis de arbeidsovereenkomst met een blijvend arbeidsongeschikte werkneemster op te zeggen en de transitievergoeding van ruim 45.000 euro uit te betalen. Volgens de kantonrechter handelt de werkgever in strijd met goed werkgeverschap.

De werkneemster heeft Menzis meerdere keren verzocht om de arbeidsovereenkomst op te zeggen onder de toekenning van de transitievergoeding. Menzis heeft haar in verschillende reacties laten weten daartoe niet bereid te zijn. Zonder eerdere opzegging zal de arbeidsovereenkomst eindigen op 18 november 2019, omdat de werkneemster dan de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Dan kan zij geen aanspraak meer maken op een transitievergoeding.

Wet compensatieregeling transitievergoeding

Veel werkgevers weigeren om de contracten met langdurige werknemers na 2 jaar ziekte op te zeggen. Zij willen na 2 jaar loondoorbetaling, niet ook nog een transitievergoeding betalen. Omdat de wetgever zulke slapende dienstverbanden onwenselijk vindt, treedt op 1 april 2020 de Wet compensatieregeling transitievergoeding in werking. Deze wet regelt dat werkgevers die na 1 juli 2015 de arbeidsovereenkomst met een langdurig zieke werknemer hebben opgezegd of zullen opzeggen, de transitievergoeding terug kunnen krijgen van het UWV.

Mede omdat werkgevers de transitievergoeding – uitbetaald voor 1 april 2020 – pas daarna bij het UWV uitbetaald kunnen krijgen, weigeren nog steeds veel werkgevers om de arbeidsovereenkomst met een langdurig zieke werknemer op te zeggen en de transitievergoeding uit te betalen.

Zwaarwegend belang

De werkneemster leeft als gevolg van haar ziekte in een groot (sociaal) isolement en heeft groot belang bij opzegging van de arbeidsovereenkomst door Menzis omdat zij dan aanspraak heeft op de transitievergoeding. Menzis heeft bij het laten voortbestaan van het dienstverband geen belang. Het ‘voorfinancieren’ van de transitievergoeding tot 1 april 2020 is voor Menzis geen probleem, oordeelt de kantonrechter.

Aanspraak op transitievergoeding

Het principiële bezwaar dat Menzis heeft tegen het betalen van een transitievergoeding aan duurzaam volledig arbeidsongeschikte werknemers wordt verworpen omdat de wetgever ook die categorie werknemers bij opzegging aanspraak op een transitievergoeding geeft.

Het belang van Menzis, als werkgever, om het beroep op het fonds van het UWV voor compensatie zo beperkt mogelijk te houden omdat dat een omvangrijk beroep op compensatie mogelijk tot premieverhoging voor alle werkgevers en dus ook Menzis leidt is onvoldoende zwaarwegend om op te wegen tegen het belang van de werkneemster.

Goed werkgeverschap

Gelet op de specifieke omstandigheden van deze zaak is, ondanks dat in de wet geen verplichting voor werkgevers is opgenomen om in gevallen als deze de arbeidsovereenkomst op te zeggen, het ‘niet opzeggen’ en het ‘niet betalen van de transitievergoeding’ in strijd met wat van Menzis als goed werkgever verwacht mag worden. De rechtbank veroordeelt Menzis daarom de arbeidsovereenkomst op te zeggen onder toezegging de transitievergoeding van ruim 45.000 euro te zullen betalen.

Hoge Raad

Er loopt momenteel een zaak bij de Hoge Raad over dit onderwerp. Hierover wordt in het najaar een uitspraak verwacht.

Bron: rechtspraak.nl

Hof zet verhuurd tuinhuisje in box 3

Het echtpaar begint in 2015 met het verhuren van hun tuinhuis via Airbnb. Dat levert het eerste jaar ruim € 3.500 op. Dat bedrag wordt niet opgegeven bij de IB-aangifte. Wel wordt de fiscus in mei 2016 ingelicht over de verhuur. In 2017 volgt een navorderingsaanslag: een kleine € 2.500, zijnde 70% van de inkomsten, is tot het belastbaar inkomen uit werk en woning gerekend. Er is sprake van tijdelijke verhuur van de eigen woning.

Wet IB zwijgt over gedeeltelijke verhuur

Daar gaat het echtpaar niet mee akkoord. Er wordt maar een deel van de woning verhuurd, betogen zij, dus is inkomstenbelasting niet van toepassing. De rechtbank is het daarmee eens: in de Wet IB 2001 wordt alleen gesproken over tijdelijke verhuur van de gehele woning. Het tuinhuis kan ook niet in aanmerking worden genomen bij de heffingsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen, aldus de rechtbank. ‘De woning wordt immers inclusief het tuinhuis als eigen woning in aanmerking genomen als bestanddeel van het belastbaar inkomen uit werk en woning.’

Tuinhuis hoort niet bij eigen woning

Het gerechtshof overweegt in hoger beroep dat het tuinhuis slechts tijdelijk als hoofdverblijf aan het echtpaar ter beschikking staat. ‘Het tuinhuis kan in dat geval niet tot de eigen woning worden gerekend.’ De inkomsten uit de verhuur zijn dus niet als belastbare inkomsten uit eigen woning aan de heffing van inkomstenbelasting onderworpen.

Anders dan de rechtbank oordeelt het hof wél dat het tuinhuisje zelf  in box 3 in aanmerking moet worden genomen. Het tuinhuis behoort immers niet tot de eigen woning. ‘Uit het systeem van de wet volgt dat het tuinhuis dan behoort tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen.’

Staatssecretaris Snel had vorig jaar nog laten weten dat verhuur van delen van de eigen woning wel als inkomsten uit werk en woning moesten worden gezien.

Uitspraak: ECLI:NL:GHAMS:2019:2424